Süskind… hoe ‘zot, zoet of zut’!?

Door: F.G.T.P. Santrouschitz

Een faction.

Op zondag 15 januari 2012 vond in het Muziektheater te Amsterdam de première van de film ‘Süskind’ plaats. Hoofdpersoon in deze film is Walter Süskind die – ‘Oskar Schindler-like’ – bij benadering 600 joodse kinderen het leven redde door ze uit de crèche van de Hollandse Schouwburg in Amsterdam te (laten) smokkelen. Onder de bezoekers bevond zich o.a. ook PvdA-politicus Rob Oudkerk die zei geroerd te zijn door de film, niet in de laatste plaats omdat zijn grootvader professor David Cohen in dit alles een belangrijke rol gespeeld had. Op donderdag 19 januari 2012 werd de film landelijk in roulatie gebracht.

“De op waarheid gebaseerde film van Rudolf van den Berg speelt zich af in 1942. In het bezette Amsterdam zet de joodse Walter Süskind zijn leven op het spel door als hoofd van het joodse personeel van de Hollandse Schouwburg honderden joodse kinderen te behoeden voor transport naar de concentratiekampen.”

Het is een werkelijk aangrijpende film waarin enkelen tonen wél te beschikken over een rechte rug, durf en moed en met gevaar voor eigen leven de levens van anderen weten te redden. Maar… IS dit ook het ware verhaal dat schuilgaat achter de redding van deze joodse kinderen? Wie zijn die durfals en wat zijn hun beweegredenen? Laten we een paar personen die een grote rol spelen eens nader onder de loep nemen. Een verslag!

Walter Süskind

Als kind uit Joods-Nederlandse (groot)ouders werd Walter Süskind op 29 oktober 1906 in het Duitse Ludenscheid geboren. In 1929 trad hij als 23-jarige in dienst als vertegenwoordiger van de in Bad Oldesloe gevestigde margarinefabriek Bölk & Co. Niet lang na zijn indiensttreding werd het bedrijf overgenomen door de Nederlands/Engelse onderneming Unilever. De ster van Walter rees snel en al gauw mocht hij zich ‘Organisationsdirektor für Ostpreußen und Westpolen’ noemen om in 1931 tot directeur benoemd te worden voor West Duitsland. In die functie was hij verantwoordelijk voor de opleiding van vertegenwoordigers die het nieuwe en goedkoper dan boter product ‘margarine’ in huis-aan-huis acties aan de vrouw brachten. Walter ontwikkelde zich tot de succesvolle zakenman die een onbekommerd en luxe leven voerde met bolknak en cognac en behoorden een riante villa met luxe Mercedes tot zijn dagelijks vervulde levensbehoeften. Ondanks de machtsovername door de Nationaal Socialisten bleef Süskind onverstoord in Duitsland wonen en trouwde in 1935 met Hannah Natt. Door de toenemende onrust besloot hij in maart 1938 het land toch te verlaten en kwam met zwangere Hannah, schoonmoeder Fran en eigen moeder Frieda naar Nederland. In Amsterdam beviel zijn vrouw van (hun enige) dochter Yvonne. Nederland was niet het einddoel maar bedoeld als ‘tussenstation’, de planning was om door te reizen naar de Verenigde Staten van Amerika waar Walter voor het moederbedrijf Unilever de verkoop van Sunlight zeep ter hand zou nemen. De voorbereidingen daarvoor waren al in vergevorderd stadium en in tussentijd verleende Walter aan het Nederlandse moederbedrijf zijn diensten. De geplande emigratie leek in kannen en kruiken maar in juli 1941 gooide de Duitse bezetter definitief roet in het eten, emigratie behoorde niet meer tot de mogelijkheden. De positie van de Joden werd door ontslag en uitsluiting met de maand penibeler, iets waarmee ook Walter te maken kreeg.

In het voorjaar van 1941 was de ‘Zentralstelle für jüdische Auswanderung’ opgericht met als taak de deportatie van Joden uit Nederland. De ‘Joodse Raad van Amsterdam’ kreeg hierin een sleutelrol en stond onder voorzitterschap van professor David Cohen en diamantair Abraham Asscher. Hoofdtaak van de aan de Nieuwe Keizersgracht 58 gevestigde ‘Joodse Raad’ was om de transportlijsten samen te stellen van opgepakte Joden die dan via ‘Durchgangslager’ (Dulag) Westerbork verder naar kampen over de Duitse grens en verder werden getransporteerd. (Het gebouw aan de Nieuwe Keizersgracht 58 werd in het najaar van 1941 betrokken nadat I.G. Farben in september 1941 verhuisd was naar een geschikter pand aan de Nieuwe Spiegelstraat.) Wie zich voor dit beulswerk (vrijwillig!) aanmeldde wist zichzelf en zijn familie (in ieder geval voorlopig) verzekerd van beschermende vrijstelling en voorkwam daarmee (tot nader order) op gedwongen transport gesteld te worden. Het spreekt voor zich dat een positie binnen de ‘Joodse Raad’ – hoe klein ook – felbegeerd werd. Het aanbod overtrof dan ook vele malen de vraag. Ook Walter Süskind slaagde erin opgenomen te worden in dit vehikel, precies gezegd bij de zgn. ‘Expositur’, de afdeling die direct belast werd met de deportaties.

In afwachting van de dingen die kwamen had Walter zich in maart 1942 met zijn gezin gevestigd aan de Nieuwe Prinsengracht 51. Enkele maanden later, eind juni 1942, liet SS Hauptsturmführer Ferdinand Hugo aus der Fünten aan professor David Cohen weten dat op korte termijn met de deportatie van (voornamelijk Duits-) Joodse gezinnen gestart zou worden. Het schoolgebouw aan het Adema van Scheltemaplein 1 dat eerst als tussenstation fungeerde om de opgepakte Joden tijdelijk op te vangen zou de te verwachten grote toevloed niet kunnen verwerken. De ‘Hollandse Schouwburg’ aan de Plantage Middenlaan 24 werd voor de op te starten deportaties tot ‘Umschlagplatz Plantage Middenlaan’ bevorderd en Walter Süskind werd door de ‘Joodse Raad’ tot direct verantwoordelijke benoemd. In die positie speelde Süskind bij het transport van de joden naar de vernietigingskampen een sleutelrol en zorgde zijn collaboratie ervoor dat hijzelf en zijn gezin (voorlopig althans) voor ditzelfde lot bewaard bleef… van ‘uitstel’ kon natuurlijk altijd ‘afstel’ komen!

Samen met andere leden die zich bij de ‘Joodse Raad’ voor een veilige job hadden opgegeven (zoals de arts Bert de Vries Robles en de econoom Raphaël Halverstad) zette Süskind zich er met verve voor in dat de deportatietreinen gesmeerd konden verlopen. Het mag gezegd worden dat ‘Umschlagplatz Plantage Middenlaan’ in de totaal 17 maanden dat ze haar lugubere en schandelijke ‘Sammelstelle’ functie vervulde met succes 60.000 Joden naar de vernietigingskampen hielp transporteren. Dat Süskind daardoor allesbehalve geliefd was door de vele duizenden die met treinladingen tegelijk hun ondergang tegemoet gingen is denkelijk niet moeilijk voor te stellen.

Süskind was een charismatische man, een goede prater, een opvallende persoonlijkheid en hij kon het erg goed vinden met de Duitse officieren. Gezien de door oorlogsomstandigheden gegeven beperkingen maakte hij er het beste van voor zichzelf en zijn familie en genoot van een redelijk beschermd en ongestoord leven. Zijn vrouw en kind waren veilig, evenals zijn moeder, schoonmoeder en hijzelf. Ook zijn eveneens naar Amsterdam uitgeweken broer Alfred (die met een niet-Joodse getrouwd was) ondervond geen onoverkomelijke hinder. Begin 1943 kwam er een kink in de kabel. Wachtcommandant SS-Unterscharführer Alfons Zündler was opgepakt wegens ‘Jüdenbegünstigung’. Door zijn toedoen was het een Joodse familie gelukt uit ‘Umschlagplatz Plantage Middenlaan’ te ontsnappen. Zündler werd veroordeeld en verdween naar concentratiekamp Dachau. Ook Henriette Pimentel de directrice van de ‘kinderafdeling’ aan de overzijde van de weg werd opgepakt en kwam niet veel later voor op de lijsten van Walter. Ze vertrok via kamp Vught naar ‘Durchgangslager’ Westerbork om nooit meer terug te keren.

Zelf wist Walter buiten schot te blijven. Op 25 september 1943 werd hij om nog onbekende redenen gearresteerd en vond als gevangene 6062 onderdak in de gevangenis van Scheveningen. Maar zijn goede connecties binnen de ‘Joodse Raad’ én de SS kwamen hem nu goed van pas. Na drie nachten in de cel doorgebracht te hebben openden zich op 28 september 1943 de gevangenisdeuren en was hij weer vrij Joods burger. Broer Alfred gaf ter gelegenheid hiervan de volgende dag, 29 september 1943, een feestje bij hem thuis. Na afloop vertrok Walter met zijn gezin naar de eigen woning aan de Nieuwe Prinsengracht 51. In de nacht van 29 op 30 september 1943 vond de laatste razzia van Amsterdam plaats en óók Walter en zijn gezin werden nu opgepakt.

Inclusief schoonmoeder Fran arriveerde het gezin in ‘Durchgangslager’ Westerbork en ook nu wist Walter (volgens zijn broer Alfred) “.. de Duitsers te bepraten en te overtuigen van zijn onmisbaarheid in Amsterdam”. Opnieuw bewezen zijn goede relaties met de SS-leiding van ‘Umschlagplatz Plantage Middenlaan’ hun waarde en naar verluid door het schriftelijk ingrijpen van Aus der Fünten (persoonlijk!) stond hij op 3 oktober 1943 weer voor de neus van broer Alfred in Amsterdam. De precieze reden voor deze in vrijheidstelling is onduidelijk gebleven maar het schijnt met één of andere financiële afwikkeling van doen te hebben en ook iets wat gerelateerd schijnt te zijn aan de Portugees-Israelitische Synagoge aan de Muiderstraat in Amsterdam. Mét Walter werden nog enkele anderen teruggezonden maar zijn vrouw en dochter bleven achter in Westerbork, zijn connecties waren niet machtig genoeg hen óók vrij te laten, maar mogelijk wél hen zo lang als mogelijk van verder transport te vrijwaren.

Tevergeefs klopte Walter voor hulp aan bij Joodse connecties en bij het verzet, maar de grote deportatiebaas slaagde er niet in hulp te mobiliseren voor zijn gezin dat de opvolgende 12 maanden bleef waar ze was. Op 2 september 1944 kwam hij te weten dat ze op de lijst stonden om doorgezonden te worden naar Theresienstadt. Daarop zette hij zichzelf op de lijst waarop hij al vele tienduizenden anderen had helpen plaatsen en voegde zich bij vrouw en kind, denkelijk om al het mogelijke uit de kast te halen hen te beschermen. Aangekomen in Theresienstadt probeerde hij vol overtuiging kampcommandant Karl Rohm – net als in Westerbork – “te bepraten en te overtuigen van zijn onmisbaarheid” daarbij zwaaiend met documenten die zijn belangrijkheid zouden bevestigen.

Die egoïstische actie schoot bij andere Joden in het verkeerde keelgat. De belangrijke rol die Walter Süskind in alle Jodentransporten gespeeld had was hem door getuigenissen van 60.000 ongelukkigen al lang en breed vooruitgesneld. Al zijn goede connecties en papieren hielpen hem dit keer niets! Zijn geloofsgenoten verhinderden hem voor zichzelf en zijn gezin bij Karl Rohm te pleiten en namen hem met hun mee, verder op transport naar het volgende station op de lijn, Auschwitz-Birkenau! Over zijn uiteindelijke lot bestaat onduidelijkheid maar algemeen wordt aangenomen dat hij als mega-collaborateur door enkele van de ‘60.000’ om het leven gebracht is. Een ander, milder en meer heroïscher einde, wordt hem door enkele kringen toegedeeld als van een door uitputting bezweken slachtoffer van de dodenmarsen ..

Tóch scheen Walter Süskind persoonlijk en zonder dat men daar algemeen weet van had, samen met een kleine groep anderen een rol gespeeld hebben van het in veiligheid brengen van voornamelijk Joodse kinderen, enkele van deze moedigen waren:

Henriette Henriquez Pimentel

Henriette Henriquez Pimentel werd in 1926 benoemd tot directrice van de Joodse crèche aan de Plantage Middenlaan 31-33 in Amsterdam, twee huizen verwijderd van de Hervormde Kweekschool en recht tegenover de ‘Hollandse Schouwburg’. Het in 1886 door de Sophie Rosenthalvereniging gestichte kinderdagverblijf was oorspronkelijk niet specifiek Joods. In 1924 verhuisde het van de Uilenburgerstraat naar de Plantage Middenlaan, een buurt waar voornamelijk gegoede Joden woonden. Het percentage Joodse kinderen steeg navenant waardoor het karakter verschoof van een ‘algemeen’ naar een specifiek ‘Joods’ kinderdagverblijf. Pas na gebruikneming in oktober 1942 als ‘kinderafdeling’ van kreeg ze de benaming toegedicht van ‘Joodse Crèche’.

Virrie Cohen

Nadat directrice Henriette Henriquez Pimentel in het begin van 1943 opgepakt was en op transport gesteld werd kwam Virrie Cohen op de ‘kinderafdeling’ te werken. In eerste instantie als kinderverzorgster, vanaf juli 1943 als plaatsvervangster van Pimentel. Virginia Rivka Cohen was de op 20 april 1916 geboren, oudste dochter van David Cohen, voorzitter van de ‘Joodse Raad’. Virrie was bekend met het kinderdagverblijf, voor de oorlog had ze er in de jaren ’30 haar opleiding als kinderverzorgster gevolgd waarna ze vertrokken was om in het Joodse weeshuis aan de Mathenesselaan in Rotterdam aan de slag te gaan. Op 26 februari 1943 werd het weeshuis, het op het zelfde terrein gelegen Gesticht voor Joodse Oudelieden en het Joodse ziekenhuis ontruimd. Op één persoon ná, die naar een ander ziekenhuis overgebracht werd, werden alle mensen naar Loods 24 op het Rotterdamse entrepotterrein gebracht. Daar vandaan vertrok de trein naar Westerbork met in totaal 269 mensen, niet alleen kinderen, bejaarden, onderduikers en zieken maar ook 61 verplegers, artsen en overige verzorgers. Eén van hen was Virrie Cohen. Vader David Cohen liet daarop zijn invloed gelden waarop de trein tot staan gebracht werd en zijn dochter (als enige) in veiligheid gebracht kon worden. Virrie vertrok daarop naar Amsterdam waar ze aan de Plantage Middenlaan 31-33 als kinderverzorgster aan de slag ging terwijl ze direct naast de ‘kinderafdeling’ onderdak vond. (Ook zijn andere dochter, Mirjam, wist David Cohen -voorlopig- veilig onder te brengen in de ‘kinderafdeling’).

Door zijn kinderen te laten collaboreren (en daarmee indirect meewerken aan deportatie van anderen) hoopte David dat – net als zovele anderen, “aan de eigen deportatie te ontkomen” zoals in het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ van 17 december 1982 te lezen stond. De trein uit Rotterdam hervatte zijn tocht met de overige 268 mensen. Drie van hen voorkwamen verder transport door tewerkstelling in Westerbork en overleefden daardoor de oorlog, de overige 265 vertrokken op 2 maart 1943 naar Sobibor waar ze op 5 maart aankwamen. Naast Virrie overleefde alléén verpleegster Cato Polak uit Den Haag het transport. In 1944 dook Virrie onder in Tienray als Virrie de Koning. Haar vader David, moeder Cornelia, broer Herman en zus Mirjam werden weggevoerd maar overleefden net als Virrie de oorlog. Na de oorlog trouwde Virrie met de Joodse slager Oudkerk. Haar zoon Robert Herman werd naast arts bekend als PvdA politicus en voormalig wethouder van Amsterdam o.a. bekend om zijn omstreden uitspraak in 2002 betreffende ‘KUT-Marokkanen’ .

Johan Wilhelm van Hulst

Johan Wilhelm van Hulst was vanaf 1942 directeur van de Hervormde Kweekschool aan de Plantage Middenlaan 27 in Amsterdam, twee huizen verwijderd van de Joodse crèche en schuin tegenover de ‘Hollandse Schouwburg’.

Raphaël Halverstad

Raphaël Halverstad was econoom. In dienst van de ‘Joodse Raad’ was hij verantwoordelijk voor de registratie van alle binnengebrachte Joden op deze ‘Sammelstelle’. Halverstad speelde een rol in het verdoezelen van persoonsgegevens, een moeilijke opgave aangezien op de ‘Zentralstelle für Jüdische Auswandering’ op het Adema van Scheltemaplein 1 de basis-persoonadministratie bijgehouden werd. Door zijn contacten slaagde hij er op de een of andere manier wél in bepaalde persoonsgegevens te laten verdwijnen.

Bert de Vries Robles

Bert de Vries Robles was arts. In dienst van de ‘Joodse Raad’ was hij met andere artsen verantwoordelijk voor de gezondheid van zowel de volwassenen in de ‘Sammelstelle’ als voor de kinderen in de ‘Kinderafdeling’. Hij bezocht in die hoedanigheid beide.

SS-Unterscharführer Alfons Zündler

Alfons Zündler werd in 1919 in het Poolse Gdansk (het vroegere Danzig) als Alfons Cislowski geboren. Om zijn naam Germaanser te laten klinken veranderde hij zijn naam in Zündler. In de vooravond van de ‘Tweede Wereldoorlog’ werd hij in 1939 op 20 jarige leeftijd opgeroepen voor de stadsmilitie. Na de inname van Polen door de Duitsers werd deze eenheid geïntegreerd in een SS-politiedivisie en ingelijfd bij de Waffen-SS. Het SS-lidmaatschap van Alfons was niet uit overtuiging, eerder was hij een tegenstander van het regime te noemen en was hij evenmin lid van de NSDAP. In 1941 raakte hij gewond en na herstel uit actieve dienst ontslagen om in 1942 naar Nederland overgeplaatst te worden. Hier werd hij aangesteld als wachtcommandant van ‘Umschlagplatz Plantage Middenlaan’ aan de Plantage Middenlaan 24. Op 3 mei 1943 werd hij gearresteerd nadat de SD een Joodse familie had opgepakt die kort daarvoor uit de Schouwburg gevlucht was. Ze bekenden dat Zündler hen had laten ontsnappen. Hem werd ‘Judenbegünstigung’ (Jodenhulp) ten laste gelegd en ter dood veroordeeld. Door onbekend gebleven omstandigheden werd zijn straf omgezet tot tien jaar gevangenschap in Dachau. Algemeen werd (tot in het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw) aangenomen dat Zündler de oorlog niet overleefd had en omgekomen was in het concentratiekamp. Hij overleefde echter wél en werd op 21 april 1948 door de ‘Spuchkammer’ in München III als ‘unbelastet’ bestempeld, zijn SS-lidmaatschap werd hem niet aangerekend.

‘Sammelstelle’ en ‘Kinderafdeling’

De eerste ongelukkigen kwamen op maandag 6 juli 1942 aan in de ‘Sammelstelle’. De dag ervoor, zondag 5 juli 1942, hadden alle (ruwweg 600) uitverkorenen per aangetekend stuk de opdracht thuis ontvangen zich te melden, Margot Frank, de zuster van het meisje Anneliese Frank was één van hen. Joden die op tijd door hun contacten binnen de ‘Joodse Raad’ gewaarschuwd waren en daardoor onderdak hadden kunnen regelen lieten wijselijk verstek gaan. Al tijdens de oorlog werd de ‘Joodse Raad’ verweten op ruime schaal geheuld te hebben met de vijand en werd ze beschuldigd van ‘vriendjespolitiek’. Het waren dan ook vooral de hooggeplaatste, invloedrijkste en vermogenste Joden die (zo lang mogelijk) de dodendans ontsprongen. Joden waren al eeuwen bekend met progroms en wisten véél beter dan de autochtone Nederlanders wat vervolging inhield, zij doken daarom massaal onder. In de razzia’s die op 14 juli 1942 startten werden telkens honderden tegelijk opgepakt om naar de ‘Sammelstelle’ gebracht waar ze geregistreerd en voor transport naar ‘Durchganslager’ Westerbork gereed gemaakt werden.

In eerste instantie werden Joden van alle leeftijden ondergebracht in de ‘Sammelstelle’ aan de Plantage Middenlaan 24 maar door de grote mensentoestroom werd de leefsituatie al snel onhoudbaar. Na drie maanden, in oktober 1942, werd de tegenoverliggende Joodse crèche aan de Plantage Middenlaan 31-33 in gebruik genomen als ‘kinderafdeling’. Kinderen met een leeftijd tot 12 jaar werden hier tijdelijk ondergebracht. Dagelijks staken medewerkers van de ‘Joodse Raad’ en de ‘Kinderafdeling’ de Plantage Middenbaan over, zaken te regelen op het gebied van gezondheid, zaken aangaande de drie wekelijkse transporten, boodschappen over te brengen, etc. In de totaal elf maanden dat deze ‘kinderafdeling’ in gebruik was en nadat er in totaal ca. 5.000 kinderen tussentijds opgevangen waren, werd ze – wegens gebrek aan ‘aanvoer’ – in september 1943 definitief gesloten.

Het redden van zuigelingen en kleuters

Al direct kwamen verschillende moedige Nederlandse mensen tegen de deportatiemaatregelen in verzet, jonge mensen vooral. Studenten zoals Piet Meerburg namen hiervoor het initiatief, samen met leden van de ‘Amsterdamse Studentengroep’, het (in juli 1942) door Jan Meulenbelt en Rut Matthijssen opgerichte ‘Utrechtse Kindercomité’, de door Jan Musch opgerichte verzetsgroep de NV en de ‘Trouw Groep’. Er werd gezocht naar manieren om – als het even kon niet alleen – de kinderen in veiligheid te brengen. In samenwerking met Henriette Henriquez Pimentel, de directrice van de Joodse crèche, werd geprobeerd kinderen naar veiliger oorden te smokkelen. Die gelegenheid diende zich vooral aan bij het ‘uit wandelen gaan’ (als de kinderen met Duitse goedkeuring een keer de beentjes konden strekken) en tijdens de hektiek van de drie wekelijkse transporten. Met steun van de in vertrouwen genomen Johan Wilhelm van Hulst, directeur van de Hervormde Kweekschool aan de Plantage Middenlaan 27, opende zich in mei 1943 een nieuwe smokkelroute. Via de achterliggende tuinen smokkelden de medewerksters van de crèche baby’s en kleuters naar de twee panden verder gelegen kweekschool. Daarvandaan werden de kinderen door leden van de verzetsgroepen naar onderduikadressen gebracht in Limburg en Friesland. De hulp van de collaborerende SS-wachtcommandant Alfons Zündler die bewust een oogje toekneep was hierbij alles bepalend. In plaats van de kinderen zelf werden poppen, kussens en kledenbundels op transport gesteld, de administratie ‘klopte’ en bleef daardoor (voorlopig) kloppend. Ze moesten het stellen zonder de hulp van Henriette Henriquez Pimentel en Alfons Zündler, zij waren begin 1943 opgepakt. Pimentel werd naar Westerbork op transport gesteld, Zündler naar concentratiekamp Dachau gezonden. Kinderen als Carla Kaplan-Gobitz, haar zus Hennie, Chellie, haar broer Jaap, Ries van der Pol en Bernhard Süskind (de neef van Walter) overleefden de oorlog dankzij hun wél!

Nederlands lijden

Vele decennia na afloop van dit menselijke drama waar miljoenen mensen hun leven verloren lijken niet Joodse Nederlanders er steeds vaker op gewezen te worden op hun passieve houding gedurende WOII. Hen – en plaatsvervangend de opvolgende generaties – wordt verweten onvoldoende te hebben ondernomen en werkeloos te hebben toegezien hoe de Joden uitgesloten en in 93 treinen gedeporteerd werden. Niet ter verdediging maar enkel om het een en ander in een betere context terug te plaatsen hierbij de volgende kanttekeningen. Als men zich van Joodse zijde al passief en meegaand opstelde, actief collaboreerde en elk verzet verbood, wát verwachtte men dan van de niet-Joodse Nederlanders?? Daarnaast leefde de krap 140.000 tellende Joodse gemeenschap in hoofdzaak binnen een klein leefgebied, geconcentreerd in de hoofdstad, voor het overgrote deel buiten het blikveld en de belevingswereld van het overgrote deel van de Nederlandse bevolking. De ruim 9.000.000 zielen tellende niet-Joodse bevolking was over het land verspreid en had zo haar eigen oorlogslast te dragen. Door honger, gebrek en ziekte was het sterftecijfer met name in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht sinds 1941 met 20% gestegen waarna het zich jaarlijks ruwweg verdubbelde om in 1945 het trieste hoogtepunt te bereiken van 130%! Mr. Pierre Mounier, één van de goedgeïnformeerde Franse aanklagers in het Neurenbergproces, verklaarde in februari 1946 dat het aantal Nederlandse Hongerwinterdoden op minimaal 125.000 slachtoffers gesteld moest worden. Eigen leed voelt men het zwaarst en meest en dat is de last die de Nederlanders zónder te klagen decennia lang gevoeld en met zich meegedragen hebben.

‘Oskar Süskind’

Een ‘eigen’ verzetsheld, een soort van Joodse ‘Oskar Schindler’, zou niet misstaan in de lange lijst van Yad Vashem gedecoreerden die tot dan toe uit niet-Joden bestond. Tot dan toe grossierde men juist en vooral in Joodse kopstukken die een bedenkelijke, kwalijke en somtijds collaborerende rol hadden gespeeld tijdens WOII. Het heikele onderwerp speelde al jaren wereldwijd binnen de Joodse gemeenschap. De mogelijkheid Walter Süskind in deze heldenrol te plaatsen leek een goede eerste gelegenheid. De ‘Hessische Heimat’ van 15 augustus 2009 memoreerde in een korte bijdrage over dit onderwerp de ‘Jerusalem Post’ van 23 juli 2008 en meldde: ”In Israel wird die Diskussion geführt, endlich auch ein jüdischer Retter von Juden in Yad Vashem zu ehren. Bislang wird der Ehrentitel ‘Gerechter unter den Völkern’ nur an Nicht-Juden vergeben” – (In Israël wordt gediscussieerd eindelijk ook een Joodse redder van Joden met de Yad Vashem onderscheiding te kunnen eren. Tot nu toe werd de eretitel ‘rechtvaardige onder de volkeren’ alleen aan niet-Joden verleend) Wie daar moeilijk voor in aanmerking kwam waren personages als professor David Cohen en diamantair Abraham Asscher, de mannen van het de Duitse bezetter hand-en-span-dienst verlenende vehikel ‘Joodse Raad’, Friedrich Weinreb met zijn infame ‘Weinreblijst’ of wat te denken van de Joodse verradersgroep van Anna van Dijk? Niet te vergeten Abraham Puls en zijn verhuisbedrijf of de minder belichte rol van Otto Frank die met zijn Amsterdamse vestiging deel uitmaakte van het grote Duitse moederbedrijf ‘Opekta GmbH’ uit Keulen dat op grote schaal profiteerde van leveringen aan de nazi’s. Ook niet over het hoofd te zien was financiële Duits-Joodse betrokkenheid van vluchtelingen die vanaf 1933 ook hun (politieke) heil en invloed zochten bij de ‘Nationaal Socialistische Beweging’ (NSB) van Anton Mussert.

David Cohen en Abraham Asscher

David Cohen en Abraham Asscher waren naast respectievelijk professor en diamantair gezamenlijk voorzitter van de ‘Joodse Raad’. Abraham Asscher werkte bovendien in opdracht voor de Duitse bezetter en ontving in zijn hoedanigheid als directeur van zijn Amsterdamse diamantslijperij geregeld bezoek van hooggeplaatste Duitse officieren, zoals ook Nazi-kopstuk Hermann Göring. De ‘Joodse Raad’ ontleende haar bestaansrecht enkel aan brede en actieve collaboratie en het meewerken aan de deportatie van Joden uit Nederland. Daarvoor werd door de Duitse bezetter niet alleen de opdracht, maar ook de benodigde mogelijkheden, middelen en alle medewerking gegeven. Volgens een in 2004 verschenen studie van M. Croes en P. Tammes getiteld ‘Gif laten wij niet voortbestaan’ hebben van de 139.997 zielen tellende Joodse gemeenschap (1 oktober 1941) 41.753 mensen de oorlog overleeft en werden 98.244 van hen vermoord. 60.000 (!!) van hen via de ‘Wartesaal nach Osten’ aan de Plantage Middenlaan 24 te Amsterdam, de ‘Sammelstelle’ waar Walter Süskind de scepter zwaaide!

De ‘Joodse Raad’ werd vanaf het begin al zwaar bekritiseert, met name door de communisten. In haar op dat moment illegale blad ‘De Waarheid’ riepen ze 6 april 1942 elk op om niet samen te werken met “sujetten als Asscher, Cohen en hun trawanten” en spoorde de Joden aan hen uit de Joodse gemeenschap te boycotten. Niet lang na afloop van de oorlog vroeg één van de lezers van dit communistische blad zich op 20 november 1945 af wat er ondernomen zou worden tegen de “leden van de vroegere Joodse Raad. In elk geval heeft deze instelling toch hand- en spandiensten aan den vijand geboden door er aan mee te helpen dat 115.000 Joden (landgenoten, vroegere Duitse en andere vluchtelingen) zijn gedeporteerd en gestorven.”  In ieder geval zou volgens hem tenminste “de leiding, in casu de heren Asscher en prof. Cohen, alsmede in het bijzonder de gehele ‘Expositur’ een proces aangedaan moeten worden.” Het duurde nog ruim een jaar voordat David Cohen en Abraham Asscher werden opgepakt. Op 6 november 1947 werden ze op last van mr. N.J.G. Sikkel, procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam, gearresteerd en in het Huis van Bewaring in Den Haag opgesloten op de beschuldiging van “niet meer te pardonneren medewerking met de vijand waardoor de Joodse deportatie in belangrijke mate werd vergemakkelijkt. Derhalve moet worden aangenomen, dat zonder de medewerking van de Joodse Raad en ook zonder zijn voortgezette medewerking het aantal gedeporteerde Joden zeer belangrijk minder zou zijn geweest. Mr. Sikkel meent, dat de Joodse Raad moest weten welk lot de Joden in Duitsland wachtte. Zonder de registratie door de Joodse Raad had het merendeel der Joden zich over Nederland kunnen verspreiden en zo kunnen onderduiken.”

Het percentage uit Nederland weggevoerde Joden is in vergelijking met alle overige landen het grootst van allemaal gedurende WOII, dit alles ‘dank-zij’ de ‘Joodse Raad’! Had na de oorlog de mogelijkheid bestaan Walter Süskind (op David Cohen en Abraham na de direct opvolgend verantwoordelijke) rekenschap te laten afleggen, zou ook hij zonder meer door mr. N.J.G. Sikkel in hechtenis genomen zijn! Ook de ´Joodse Eereraad´ verweet Cohen en Asscher op 27 december 1948 op diverse fronten fors gefaald te hebben en dat beiden laakbaar gedrag ten toon gespreid hadden. Maar de “medewerking bij de selectie voor deportatie” sprong er wat hen betreft boven alles uit, dat was “zeer laakbaar geweest.” Cohen en Asscher werden door de´ Joodse Eereraad´ verboden voor de rest van hun leven ooit nog een functie binnen de Joodse gemeenschap te vervullen. Voor beiden liep het wel veel beter af dan de ‘60.000’ die vanuit Amsterdam vertrokken waren. Op 5 december 1947 werden ze in afwachting van verdere berechting in vrijheid gesteld maar tot een proces kwam het niet meer. Op gronden van het algemeen belang (!!) was van verdere strafvervolging afgezien! En over Süskind hoefde men postuum geen oordeel meer te vellen, over de doden niets dan goeds!

Friedrich Weinreb

Friedrich Weinreb was een Joods-Nederlandse econoom, pseudo-arts en schrijver die tijdens WOII geloofsgenoten deportatiebescherming garandeerde. Tegen betaling van ettelijke duizenden guldens konden ze worden opgenomen op de ‘Veilige Weinreblijst’ die hen vrijstelde van deportatie. Joodse vrouwen werden bij inschrijving door Weinreb vaak persoonlijk inwendig onderzocht en gekeurd (..). Duizenden angstige Joden troggelde deze fantast honderdduizenden guldens af maar kwamen uiteindelijk bedrogen uit. Meer dan 100 van hen werden in handen van de ‘Sicherheits Polizei’ (SIPO) gespeeld en zeker 70 van hen kwamen ellendig aan hun einde in de kampen.

Anna van Dijk

Anna (Ans) van Dijk was één van de naar schatting 120 Joodse verklikkers en verraders die zich tijdens WOII (met name in Amsterdam) ‘verdienstelijk’ hebben gemaakt met het tegen betaling uitleveren van geloofsgenoten aan de SIPO. Vanaf begin 1943 tot aan oorlogseinde toe heeft alleen al de verradersgroep rondom Van Dijk meer dan 900 slachtoffers gemaakt. De groep waartoe ook Branca Simons en Rosalie Roozendaal behoorden hadden in het bijzonder de Amsterdamse grachtengordel tot werkgebied. Berthold Joseph, Mozes Brandon Bravo, Betje Wery, Max Ekstein, Bernhard Joseph, Irma Seelig en tientallen andere Joodse verraders hielden zich eveneens met deze mensonterende ‘tak van sport’ bezig.

Abraham Puls

Abraham Puls was eigenaar van het infame Amsterdamse verhuisbedrijf Puls dat zich exclusief voor de Duitse bezetter verdienstelijk maakte bij het leeghalen van woningen, in de volksmond werd deze roofactie ‘Pulsen’ genoemd. Abraham Puls had zich al op 1 mei 1934 aangesloten bij de NSB, een lidmaatschap dat hem aanzienlijk zakelijk voordeel opleverde. De razzia’s dreef de Joden uit hun huizen, naar ellende en ondergang maar brachten Puls werk, rijkdom en welstand. Zijn bedrijf ruimde de inboedel van het merendeel van de 29.000 door Joden verlaten woningen. Daarbij schoof hij een niet onaanzienlijk aandeel van de buit naar zichzelf toe. Toen hij in mei 1945 door de Binnenlandse Strijdkrachten werd opgepakt trof men behalve een vrachtauto vol geroofde kunstvoorwerpen een goed gevulde geldkist aan met 3.000 Rijksmarken en 19.000 guldens. Zijn banksaldo liet het aanzienlijke tegoed zien van maar liefst 300.000 guldens. Een gedeelte van zijn vermogen was afkomstig van het ‘kopgeld’ dat hij opstreek voor het verraden van geloofsgenoten aan de SIPO, een smerige vorm van bijverdienste die hij er op nahield..

Na de oorlog..

In de eerste jaren na de oorlog likte elk zijn wonden, wereldwijd waren er miljoenen mensenlevens vernietigd en de nabestaanden treurden om het verlies van hun dierbaren. In Nederland was daar het onuitgesproken leed dat vooral de bevolking in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht geleden hadden. Onder het motto ‘Niet klagen maar dragen’ sleten langzaam de pijnlijke herinneringen aan die verschrikkelijke Hongerwinters die ze aan den lijve hadden meegemaakt. De vele hongertochten tot ver buiten de provincies op fietsen zonder banden, lopend met kinderwagen of bolderkar, op zoek naar overleving. De honger, het gebrek en de daaruit voortkomende ziektes waaraan ze leden, de vele duizenden dierbaren waarvan ze gedwongen afscheid moesten namen, die ‘simpelweg’ doodhongerden in hun onverwarmde huizen of gewoon op straat voor altijd neervielen.

Vele tienduizenden ouderen, vrouwen en kinderen stierven door zwakte, leed dat naar de achtergrond werd verbannen. De mouwen werden opgestroopt om stug en stadig land en samenleving weer opnieuw in de steigers te zetten, dat was de manier waarop negen miljoen Nederlanders hun traumatische geschiedenis probeerden te verwerken, wát moesten ze anders? Wat had men er aan om terug te kijken, zichzelf in verdriet te wentelen en te beweeklagen? “Wat gebeurt was, was gebeurt.” Niet alleen daarom werd er tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw aan de eigen geschiedenis van ruim 9.000.000 Nederlanders nauwelijks aandacht gegeven in de Vaderlandse geschiedenisboeken. Aandacht voor het gruwelijke leed en lot van de ca. 140.000 uit Nederland weggevoerde Joden was slechts een hoofdstuk in het duizend pagina’s tellende boek vol oorlogsleed. Het ‘Achterhuis’, Anne Frank, de Hollandse Schouwburg, kamp Westerbork.., het speelde allemaal een marginale rol in de naoorlogse maatschappij, dát was onderdeel van het Joodse leed, dát was Joodse geschiedenis, eigen leed voelt men het meest!

De grote aantallen slachtoffers maar bovenal ook door collaboratie en (zeker in Nederland) de eigen betrokkenheid daarbij, vergrootte het eigen Joodse trauma. Duizenden onderscheidingen had men al uitgereikt aan ‘Rechtvaardigen onder de volkeren’, mensen die hun leven op het spel gezet hadden om Joden te redden van de ondergang, maar hoofdzakelijk aan niet-Joden. Deze onderscheiding ook te kunnen verlenen aan een Joodse mensenredder was een stille maar vurige wens. Die gouden kans leek zich begin jaren ’70 van de vorige eeuw aan te dienen. Over de hele linie kwam het lot van de Joden breed onder de aandacht, niet alleen in de scholen maar ook in de literatuur. Het redden van Joodse kinderen uit de ‘Joodse Crèche’ in Amsterdam door moedige jonge Nederlanders, met hulp van verschillende verzetsgroepen, enkele goedwillende Duitse SS-ers en met Joodse ondersteuning zou de kapstok worden waaromheen een ‘ZückerSüss’ scenario geschreven werd.

Geboorte van een Fenix

Door het geschikt weglaten, uitvergroten en herschikken van gebeurtenissen en omstandigheden werd de rol van Walter Süskind geboetseerd in de vorm waarin men hem graag wilde presenteren: “Walter Süskind, de Nederlandse Oskar Schindler, die honderden joodse volwassenen, kinderen en baby’s redde uit de Hollandse Schouwburg. Süskind, een handige en charmante man, bijzonder vindingrijk, listig, vervalste lijsten en bedacht honderden trucs” precies zoals Maria Trepp het zo treffend beschreef in haar weblog in januari 2012. Een van de werkelijk meest onmisbare schakels in deze mensenreddingsoperatie was de Duitse SS-Unterscharführer Alfons Zündler, maar daarvan nam men aan dat deze was omgekomen in het concentratiekamp en van die kant viel in dit alles dus geen ‘gevaar’ te duchten.

Zo was op 1 september 1972 in het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ op pagina 3 het verhaal te lezen van Alfred Süskind, de jongere broer van Walter. Hij blies daarin de loftrompet over zijn roemruchtige broer “Er zijn joden geweest, die ’s avonds werden opgehaald om naar Polen te worden gedeporteerd, maar die ’s morgens weer thuis waren. Mijn broer heeft ze uit de Hollandse Schouwburg gehaald.” De krant verhaalde verder over de rol van Walter Süskind bij “het vervalsen van de kartotheek, dat wil zeggen, van het daaruit halen van de kaarten van de weggesmokkelden, levensgevaarlijk, omdat hij met die kartotheek niets te maken had en bij ontdekking ten dode opgeschreven was. De kinderen moesten onopvallend verdwijnen. In dozen, in rugzakken, in aardappelzakken. Terwijl Walter Süskind de Duitse wachten had dronken gevoerd.” Oók de bijrol van Alfons Zündler en andere Duitsers  werd genoemd “Bij dat reddende werk was ook een SS-er betrokken, Zündler, hij werd betrapt en vermoord in een concentratiekamp. Een andere SS-er, die eveneens behulpzaam was werd naar een strafcompagnie aan het Oostfront gezonden.” Het was de opmaat naar een heldengeboorte, Walter Süskind als een Fenix uit zijn as herboren als Joods ‘Rechtvaardige onder de volkeren’.

Walter Suskind Memorial Education Fund

Een en ander kwam in een stroomversnelling nadat de in Amerika woonachtige Ries van der Pol in 1982 actie ondernam. Ries was één van de kinderen die uit de Joodse crèche gered was. Een hulpactie om het Metropolitan Theather in Boston te renoveren bracht hem in contact met Harry Lodge, één van de bestuursleden. Ries vertelde zijn geschiedenis, het verhaal van de onderhand in verval geraakte Hollandse Schouwburg en opperde het voorstel om het herstel van beide theaters aan elkaar te verbinden én (daarmee ook) een monument neer te zetten voor Walter Süskind. Het idee werd warm verwelkomd maar het geld dat binnenkwam werd gebruikt voor de renovatie van het Metropolitan Theather. De plannen voor een Süskind monument strandden in het niets. Ries hield echter vol en in 1988, toen Josiah A. Spaulding Jr de plaats innam van Harry Lodge, bracht hij hem een bezoek en legde het voorstel voor een Süskind-Holocaustmonument opnieuw op tafel. Vanaf dat moment raakte het een en ander in een stroomversnelling en met behulp van Spaulding Jr was binnen een week het ‘Walter Suskind Memorial Education Fund’ een feit. Het financiële doel dat voor het eerste jaar gesteld was op $ 1.000.000,– werd gerealiseerd. In 1989 werd het ‘Walter Suskind Memorial Education Fund’ officieel gelanceerd en kreeg het een extra tintje door de aanwezigheid van Ed van Thijn, de toenmalige burgemeester van Amsterdam en Piet Meerburg. Op 31 oktober 1989 roemde de Amerikaanse Senaat “the courage and exemplary heroism of Walter Suskind.”.

In 1990 gaf ‘The Boston Globe’ David Arnold, een van haar beste schrijvers de opdracht om af te reizen naar Europa en Amsterdam, kamp Westerbork en kamp Auschwitz te bezoeken en onderzoek te verrichten naar Walter Süskind c.q. het redden van Joodse kinderen. “Although Suskind’s rescue effort was never discovered during the war and only known to a relatively small group of people, David was able to locate and interview a number of people who had played an active part in it.” Het uitvoerige en gedetailleerde verslag van David Arnold verscheen in de ‘Sunday Boston Globe Magazine’ van oktober 1990. Dit was het eerste complete rapport waarin “the complex rescue operation and Walter Suskind’s leading role in it” beschreven werd.

Alfons Zündler uit de as herrezen

Niet alleen binnen Amerika en Europa en uiteraard binnen Nederland kwam steeds meer aandacht voor de ‘zaak’ Süskind. Verschillende journalisten en onderzoekers begonnen zich hiervoor te interesseren zoals Elma Verhey van het blad ‘Vrij Nederland’. Op 20 maart 1993 verscheen er in dat blad van haar hand een artikel onder de kop “Was Alfons Zündler een goede SS-bewaker in de Hollandse Schouwburg?”

De tot dan doodgewaande SS-Unterscharführer Alfons Zündler bleek nog in leven te zijn en was door Elma Verhey opgespoord in München-Haishausen waar hij met zijn vrouw Thea de laatste jaren van zijn leven doorbracht in een driekamerwoning. Ook was ze erin geslaagd een aantal mensen te vinden, zoals Cilly Peiser-Levitus die als kinderverzorgster in de ‘kinderafdeling’ werkte en die dank zij Alfons Zündler haar reddende werk had kunnen verrichten en Carla Kaplan-Cobitz die met haar zus Hennie, Chellie en broer Jaap door Zündler gered was. Op 21 juni 1993 werd de documentaire die Verhey hierover gemaakt had, getiteld ‘Het Oog van de Naald’ door de NCRV televisie uitgezonden. De ‘Leeuwarder Courant’ van 21 juni 1993 schreef “Cilly Peiser dankte háár leven aan de moed van SS-er Alfons Zündler, waarvan ze aannam dat hij overleden was. Ten onrechte dacht Cilly dat deze man wegens verraad door de Duitsers was geëxecuteerd” Nadat door de grote aandacht voor Süskind ook het vehaal van Zündler weer in beeld kwam bleek deze mensenredder nog in leven en wilden niet alleen Cilly en Carla, maar ook enkele tientallen anderen hem persoonlijk bedanken. Dát veroorzaakte binnen bepaalde kringen ongetwijfeld een schok op megaformaat!

Historici als Lou de Jong en Jacques Presser waren ervan overtuigd dat Zündler overleden was en zijn ‘wederopstanding’ was een schok.
. Zijn bepalende en levensreddende rol vormde een onverwacht en onvoorzien en hinderlijk obstakel in de zo mooi uitgestippelde route naar de heldenverklaring van Walter Süskind. Naast de geplande ophemeling van Süskind verschenen nu ook de minder gewenste Zündlerbejubelingen in de media. Het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ van 30 juli 1993 noemde hem ‘De Goede SS’er’ zoals Alfons Zündler inmiddels genoemd werd. “Ter gelegenheid van zijn 75-jarige verjaardag zullen voor deze voormalige bewaker in de Hollandsche Schouwburg 75 bomen geplant worden in het Nederlandse Woud in Israël.” In het zelfde nummer stond te lezen dat “hij mensen liet verdwijnen als zij op het station waren, voordat zij zouden worden getransporteerd naar Westerbork,[wat] door geredden bevestigd [werd].” Veel verontrustender was het feit dat door toedoen van de dankbare overlevenden, waaronder Cilly Peiser en Carla Kaplan-Gobitz, Zündler voorgedragen werd voor de ‘Yad Vashem-onderscheiding’.

Op 14 september 1993 wist het ‘Nieuw Israelitisch Weekblad’ te melden dat op het toekenningsverzoek om aan ‘De Goede SS’er’ de Yad-Vashem-medaille te verlenen positief beslist zou worden. De voordrachtscommissie onder leiding van Jo Michman rapporteerde dat bewezen geacht moest worden dat Zündler vele Joden het leven gered had en daarvoor zelfs ter dood veroordeeld was. Het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ van 1 oktober 1993 meldde:“In relatief zeer korte periode is de procedure van Yad Vashem afgesloten met een erkenning van Alfons Zündler als ‘rechtvaardige onder de volkeren’. Nog geen jaar nadat bekend werd dat hij nog in leven was.” De toekenning van de onderscheiding leek een gelopen race. Dát doorkruiste echter volledig de elders en eerder gemaakte plannen. Toekenning van deze onderscheiding aan de SS-er zou volledig afbreuk doen aan de exclusieve heldenrol die men Süskind had toegedacht. Het zorgde voor een in Nederland ongekende polemiek waarmee zich steeds meer personen en organisaties gingen bemoeien. Van verschillende kanten werd grof geschut en middelen ingezet om de rol van Zündler te minimaliseren en te bagatelliseren. Zo begon zich óók Ronnie Nafthaniël, directeur van het CIDI hiermee te bemoeien. In het ‘Nieuwsblad van het Noorden’ van 12 oktober 1993 liet hij horen dat “Zündler de onderscheiding moet worden geweigerd, omdat hij volstrekt willekeurig handelde. Ongetwijfeld heeft hij goede dingen gedaan en ik begrijp dat sommigen hem daar dankbaar voor zijn. Maar hij had ook dienst als SS-bewaker kunnen weigeren.” Michaël Bawly, de toenmalig Israëlische ambassadeur in Nederland, was het daar niet mee eens. Op 15 oktober 1993 verklaarde hij in een vraaggesprek met journalist Bart-Jan Klein dat “die man is voorgedragen [Yad-Vashem medaille] en er zijn tot nu toe twintig getuigenissen vóór hem en geen enkele tegen!”

De ‘smear-campagne’

Ook het RIOD begon zich met de zaak bezig te houden en onder leiding van onderzoeker J. Houwink ten Cate werd een vernietigend rapport geproduceerd. Zich baserend op een verklaring van oorlogsmisdadiger Willy Lages het voormalige hoofd van de SD werd Zündler neergezet als een verkrachter die samen met 5 andere SS-ers een joodse vrouw zou hebben mishandeld en verkracht. Dát zou de reden geweest zijn voor zijn doodstraf in 1943! De Alkmaarse historicus Mark Schellekens die zich in de zaak Süskind verdiept had was niet onder de indruk van het RIOD-rapport. In een interview in de ‘Leeuwarder Courant’ van 4 november 1993 liet hij weten dat Houwink ten Cate “ zich enkel gebaseerd heeft op een stuk dat geschreven werd door de veroordeelde oorlogsmisdadiger Willy Lages. Lages schreef dit stuk voor de rechters om zichzelf als punctuele politieman te presenteren. Wie moet je nu geloven? Joden uit het verzet, zoals Louise Rothschild, die heel positief is over de medewerking van Zündler of een oorlogsmisdadiger die zich wil vrijpleiten?” Op 13 juni 1994 vertelde Carla Kaplan-Gobitz in de Amerikaanse krant ‘The Independent’ haar ondersteunende verhaal. Onder de kop ‘To some Holocaust survivors, Alfons Zundler was their saviour, a Schindler in an SS uniform.’ Carla vertelde hoe Zündler haar leven en dat van haar familieleden in de nazomer van 1942 gered had… een ‘Schindler in SS-uniform’.

Volgens Willy Lindwer was het helemaal niet zo’n verdienste van Zündler dat hij joden hielp ontsnappen uit de Hollandsche Schouwburg. „Het was daar zo lek als een mandje. Uit getuigenissen heb ik begrepen dat de bewakers daar vaak dronken waren en dat ze allemaal gevangenen lieten glippen. Die werden de volgende dag toch weer gearresteerd.” De Joods-Nederlandse regisseur Willy Lindwer had samen met Ralf en Miep Polack een tegencomité gevormd om te voorkomen dat ‘De Goede SS’er’ de Yad Vashem-medaille zou ontvangen. Ralf zelf haalde ook uit naar Zündler. Hij verklaarde een jaar in de Schouwburg gewerkt te hebben en vertelde dat Zündler hem persoonlijk had opgedragen hem van sterke drank te voorzien waardoor hij de hele dag beschonken rondliep. Niet Zündler maar juist HIJ zou mensen hebben helpen ontsnappen! “I saved many people” Ralf Polack bleek niet de enige te zijn die dit nobele feit voor zichzelf claimde. Louis van Coevorden die vóór dat Zündler bij de Schouwburg gedetacheerd was al met hem samengewerkt had in de ‘Zentralstelle für Jüdische Auswanderung’ aan het Adema van Scheltemaplein beweerde dat juist HIJ het was die mensen zou hebben laten ontsnappen “I used to help people escape from the deportation centre”. Volgens Van Coevorden had Zündler er juist alles aan gedaan hem tegen te werken en zou nog al hardhandig opgetreden hebben. “Als iemand probeerde te vluchten of als iemand niet snel genoeg in de trein stapte ramde hij hem er wel in. Hij deelde zonder reden klappen uit, iemand kreeg een klap met de kolf van zijn geweer, dat heb ik zelf gezien.” Alleen tegen omkoping van sigaretten en dameskousen zou Zündler bereid zijn om voor hem een onwillig oogje toe te knijpen zodat hij mensen kon laten ontsnappen. De ‘smear-campagne’ leidde er tenslotte toe dat Zündler als een zichzelf verrijkende, op drank en sex beluste SS-er neergezet werd. Zo’n schurk was toch geen onderscheiding waard? Het resultaat van deze lastercampagne was dan ook dat in het ‘Leidse Dagblad’ van 6 januari 1995 onder de kop ‘Toch geen medaille voor Alfons Zündler’ het volgende te lezen stond “De SS’er Alfons Zündler, die in de oorlog de levens van tientallen joden zou hebben gered, wordt uiteindelijk toch niet beloond met een medaille van Yad Vashem. Het Israëlische instituut dat de herinnering wakker houdt aan de Duitse massamoord, is daarmee definitief teruggekomen op een eind 1993 genomen besluit. Een woordvoerster van Yad Vashem zei vanmorgen dat nieuw materiaal van het Nederlandse Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) uiteindelijk de doorslag gegeven heeft.”

Carla Kaplan-Gobitz trok met haar overlevenden aan het kortste eind, samen met Zündler werd ze in groter belang afgeserveerd. Door verschillende kennissen werden ze vanaf toen met de nek aangekeken, kreeg ze misselijke telefoontjes en maakten familieleden denigrerende opmerkingen. “Ik had heel goed contact met een vrouw. We reden samen altijd naar de synagoge. Nu laat ze niets meer van zich horen”. Niets stond nu de Heiligverklaring van Süskind nog in de weg.

Secret Courage

In 1998 kreeg de Amerikaanse filmmaker Tim Morse de opdracht een 15 minuten durende videofilm te maken over het leven van Walter Süskind, dit als voortraject op een groter project dat 4 jaar later werd opgestart. In 2002 werd dat project in overleg met Ries van der Pol verder uitgewerkt en in november van dat jaar besloot men een filmteam naar Nederland te zenden om gesprekken te voeren met overlevenden en historici. In februari 2003 was het zover, Tim Morse vertrok met Ries van der Pol en zijn filmteam voor twee weken naar Amsterdam. Hier hadden ze o.a. contact met het Joods Historisch Museum, het Verzetsmuseum en het NIOD. Met het nodige beeldmateriaal vertrok men weer naar Amerika. In de periode maart tot december 2003 werd het filmscript opgezet en uitgewerkt waaraan het gehele jaar 2004 werd doorgewerkt. In maart 2005 ging Tim Morse opnieuw met zijn team naar Amsterdam, dit keer om aanvullend beeldmateriaal en gesprekken op te nemen en een bezoek te brengen aan het Beeld en Geluidarchief in Hilversum. Het gehele jaar 2005 werd gebruikt de film te monteren en samen te stellen met als resultaat dat de film op 26 september 2005 haar première beleefde in ‘Sorenson Theater’, Babson College in Wellesley. Op 12 februari 2006 vond de première van ‘Secret Courage – the story of Walter Süskind’ in Nederland plaats in theater ‘De Uitkijk’ in Amsterdam. Zes jaar later, op zondag 15 januari 2012 vond in het Muziektheater in Amsterdam de première plaats van die andere Süskind bewierokende film: ‘Süskind’ van regisseur Rudolf van den Berg, “een op waarheid gebaseerde film”!!

Enkele in dit waar gebeurde verhaal verwerkte vrije, creatieve gedachten

Als trams passeerden en daardoor het blikveld van de wachtposten blokkeerde werden haastig kinderen uit de schouwburg de crèche in gesmokkeld zonder dat de Nazi’s het in de gaten kregen. Daarbij geholpen door de moedige actie van de zelfbewuste Walter Süskind die als een volleerd causeur de Duitse wachtposten afleidde door ze in het Duits toe te spreken, moppen te vertellen, persoonlijk dronken te voeren en sigaren aan te bieden. De in jutezakken, dozen, bundels en tassen verpakte kinderen werden de trams in gesmokkeld om daarvandaan naar de vrijheid te vertrekken op het Nederlandse platteland. Op de hoogte zijnde trambestuurders hielden zoveel mogelijk rekening door extra langzaam te rijden zodat de kinderverzorgsters met hun smokkelwaar makkelijk op de tram konden springen terwijl de door alcohol bedwelmde, druk lachende en sigaren rokende Duitse wachtposten zo lang mogelijk slecht zicht hadden. Süskind was tot dit alles in staat omdat hij op goede voet stond met Aus der Fünten met wie hij (overigens bewezen complete flauwe kul!) op school had gezeten..

___________________________________________________________________________________________________________________________________
Bronnen:

‘De Waarheid’, 6 april 1942
‘De Waarheid’, 20 november 1945
‘De Waarheid’, 13 november 1947
‘De Waarheid’, 6 december 1947
‘Nieuwe Leidsche Courant’, 22 juli 1949
‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’, 5 mei 1950
‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’, 1 september 1972
‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’, 17 december 1982
‘Leeuwarder Courant’, 21 juni 1993
‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’, 30 juli 1993
‘Leeuwarder Courant’, 4 november 1993
‘Gif laten wij niet voortbestaan’ – M. Croes & P. Tammes, 2004
‘Hessische Heimat’, 15 augustus 2009
Hitlers Bounty Hunters, Ad van Liempt
Dag Pap, tot morgen. Joodse kinderen gered uit de crèche, Alexander Bakker
Oorlogsdocumentatie ’40-’45 – Tweede Jaarboek v.h. Rijksinstituut v. Oorlogsdocumentatie
http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/383128/1995/01/07/Ik-hoop-dat-we-eindelijk-rust-krijgen.dhtml
http://www.go2war2.nl/artikel/1957/Cohen-David.htm?page=3
http://www.verzetsmuseum.org/kinderen/nl/digitale_expo/dag_pap,de_redders
http://www.suskinddefilm.nl
http://www.hollandscheschouwburg.nl/actueel/nieuws/suskind
http://www.learntoquestion.com/seevak/groups/1999/sites/suskind/lifebio.htm
http://www.friedensgruppe-luedenscheid.de/files/20061030_pi_sueskind.pdf
http://www.alemannia-judaica.de/images/Images%20288/Sueskind%20Walter%20GAZ%20HH%201-3.pdf
http://www.eo.nl/programma/ditisdedag/2011-2012/page/Mark_Schellekens_over_S_skind/articles/article.esp?article=12867200
http://profiel.kro.nl/seizoenen/seizoen_2012/afleveringen/15-01-2012
http://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=11&ved=0CBwQFjAAOAo&url=http%3A%2F%2Fgen.lib.rus.ec%2Fget%3Fnametype%3Dmd5%26md5%3Dbe0638dc5ee335d7d9dc59f14dfcf45b&ei=5h4XT47ADoSXOoKdiYYE&usg=AFQjCNEdlhfwV02e4LvtReLMjpq4vgQzLw
http://www.independent.co.uk/life-style/demon-or-deliverer-to-some-holocaust-survivors-alfons-zundler-was-their-saviour-a-schindler-in-an-ss-uniform-but-a-campaign-to-award-him-israels-highest-honour-has-angered-others-for-whom-he-is-the-personification-of-evil-suzanne-glass-reports-1422338.html
http://www.morsephotography.com/suskindfilm/home_inthemedia.htm
http://www.dedokwerker.nl/oorlogshelden.html
http://colanmc.siu.edu/clockwork/papers/p11.htm
http://www.verzetsmuseum.org/tweede-wereldoorlog/nl/themas/kinderengered,na_de_oorlog
http://www.joodsamsterdam.nl/strplantmiddenln.htm
http://www.cultuurbewust.nl/site/kunst-7834-zichtbaar-joods-leed-%E2%80%98langs-stenen-herinneringen%E2%80%99-in-amsterdam/
http://www.deathcamps.org/reinhard/dutchshouw.html
http://www.joodsmonument.nl/person/502372
http://passagenproject.com/blog/2012/01/15/walter-suskind-en-de-joodse-raad/
http://www.holocaustresearchproject.org/survivor/suskind.html
http://jangrlng.home.xs4all.nl/amsterdam_joodse_wijk.html
http://nl.wikipedia.org/wiki/Walter_S%C3%BCskind
http://www.jhm.nl/cultuur-en-geschiedenis/personen/s/suskind,+walter
http://www.morsephotography.com/suskindfilm/journey_vanderpol.htm
http://morsephotography.com/mpdrpl/about
http://www.morsephotography.com/suskindfilm/home_inthemedia.htm
http://www.jewishfilm.org/Catalogue/films/secretcourage.htm
http://www.niw.nl/held-met-vuile-handen/
http://nl.wikipedia.org/wiki/Muiderstraat
http://www.absolutefacts.nl/wo2/data/zundleralfons.htm
http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012df6134e46918e6df27707&sourceid=1011
http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/2603776/1995/01/20/Rassenschande-brak-Zundler-op-SS-er-jodenredder-vermaakte-zich-met-jonge-vrouw.dhtml
http://www.jhm.nl/collectie/audiovisueel/40000673
http://books.google.nl/books?id=v8YfwTHaBXUC&pg=PA20&lpg=PA20&dq=Alfons+Z%C3%BCndler&source=bl&ots=QpIHqgpYDp&sig=IXePFXTNCLVXKk-q4S-Vm9ntGOg&hl=en&sa=X&ei=HDwUT_OLM8fO-QbsqpnFAg&redir_esc=y#v=onepage&q=Alfons%20Z%C3%BCndler&f=false
http://www.morsephotography.com/suskindfilm/images/HildeWEB.jpg
http://www.morsephotography.com/suskindfilm/images/SienyWEB.jpg
http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/411635/1995/01/20/Omvang-hulp-door-Zundler-aan-joden-is-niet-te-bepalen.dhtml
http://www.morsephotography.com/images/about/karen_thumb.jpg
http://www.morsephotography.com/images/about/tim_thumb.jpg
http://www.morsephotography.com/suskindfilm/images/RiesWEBColor.jpg
http://www.zeit.de/2006/46/A-Rettungswiderstand
http://www.documentatiegroep40-45.nl/nieuws/archief-website/100281
http://rotterdam.joodsamsterdam.nl/gebjoodsziekenhuis.htm
http://www.sobiborinterviews.nl/nl/nederlandse-overlevenden/cato-polak
http://rotterdam.joodsamsterdam.nl/gebloods24.htm
http://nl.wikipedia.org/wiki/Loods_24
http://www.engelfriet.net/Alie/Hans/roseziekenhuis.htm
http://www.joodsamsterdam.nl/persvirriecohen.htm
http://www.hollandscheschouwburg.nl/en/history/deportation-centre/the-cr%C3%A8che/curtain-falls
http://www.verzetsmuseum.org/tweede-wereldoorlog/en/digiexpo/byedad,after_the_war
http://maxarian.nl/artikelen/tweede_wereldoorlog.html
http://salomuller.nl/oorlogsjaren.html
http://www.jhm.nl/collectie/fotos/40011742
http://www.online-familieberichten.nl/zoeken.asp?command=show&id=661340
http://webcache.googleusercontent.com/search?q=cache:ACYTlUB4sEsJ:www.auschwitz.nl/paviljoen/onderduiken/hulp/lichtbak-2+&cd=20&hl=en&ct=clnk&client=firefox-a

http://youtu.be/16lIRLWtvmI

, , , ,

  1. #1 door Gerard de Boer op 26/01/2012 - 10:16

    Goed geresearched. Mijn complimenten.

  2. #2 door Marlies op 26/01/2012 - 12:04

    Heel veel dank voor dit waardevolle artikel. Het toont maar weer eens HOE selectief het geweten/geheugen is van “de mens”.

  3. #3 door Maria Trepp op 26/01/2012 - 14:23

    Zeer uitvoerig, heel goed!

  4. #4 door mark Schellekens op 26/01/2012 - 18:38

    U bent goed op de hoogte zo te lezen! Voor de laatste stand van zaken rondom de Schouwburg en Süskind (feitelijk) verwijs ik graag naar mijn boek ‘Walter Süskind. Hoe een zakenman honderden joodse kinderen redde uit handen van de nazi’s. Het echte verhaal van de film’ dat sinds twee weken in de boekhandel verkrijgbaar is: http://bit.ly/zIHbbf en recensie #nrc http://tinyurl.com/72yxbno
    Daar blijkt ook wel uit dat er meer helden (waaronder Alfons Zündler) betrokken waren bij dit verzetswerk, dat niet alleen kinderen maar ook volwassenen het leven redde.
    Wat betreft Rob Oudkerk, zijn moeder was Virrie Cohen en leidster in de creche en heeft (samen met haar zuster Mirjam overigens) een grote rol gespeeld bij het laten ontsnappen van kinderen en het werk van Süskind. Ik heb niet begrepen dat hij nou zo trots was op het werk van zijn opa David Cohen, maar wel terecht op dat van zijn moeder.

    • #5 door Gerard de Boer op 26/01/2012 - 23:19

      Voor wie het nog niet wist:

      Op 17 september 1945 werd het personeel van de Nederlandse Spoorwegen door de toenmalige KVP-minister van Verkeer, Van Schaik, in de Haagse Houtrusthallen toegesproken. Hij prees daarbij de spoormensen uitbundig omdat ze de eerste jaren de (doden)treinen hadden laten rijden. Dat was goed voor de Nederlandse economie geweest, zei hij.

      Oud NS-directeur en verzetsman G.F.H. Giesberger, die via een illegale zender in contact stond met de in mei 1940 lafhartig gevluchte regeringskliek o.l.v. Wilhelmina in Londen, heeft in 1953 tegenover de Parlementaire Enquêtecommissie onder ede verklaard dat hij herhaaldelijk aan Londen heeft gevraagd wat er in verband met de deportaties van de joden gedaan moest worden: “Londen antwoordde: Niets! Doorgaan!”. (Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, G.F.H. Giesberger.)

      Zijn verklaring stond pas in 1955 in de Nederlandse dagbladen, zonder dat dit tot veel ophef heeft geleid. In de geschiedenisboeken wordt het tot op de dag van vandaag nog steeds doodgezwegen.

      Zie knipsel:

  5. #6 door Gerard de Boer op 27/01/2012 - 15:07

    In aansluiting op het bovenstaande:

    Op instructie van de Londense ballingenkliek gingen de jodenstransporten dus gewoon door. Pas op 17 september 1944 – vier dagen na het laatste transport met onder andere ook 77 ontdekte ondergedoken joodse kinderen – kreeg de NS vanuit Londen opdracht om te gaan staken. Toen was de ‘klus’ geklaard.

  6. #7 door F.G.T.P. Santrouschitz op 30/01/2012 - 19:56

    Mijnheer Schellekens,

    Dank voor uw respons.

    Wat betreft Virrie Cohen, naar aanleiding van uw reactie heb ik het een en ander aangevuld op het artikel omtrent de oudste dochter van David Cohen. Ongetwijfeld zal zij haar uiterste best gedaan hebben in het kinderdagverblijf daar twijfel ik niet aan. Laat onverlet dat het wél collaboratie is en blijft wat zij bedreven heeft, gedwongen of vrijwillig verandert niets in deze zin! Virrie is door toedoen van haar vader David Cohen, voorzitter van de ´Joodse Raad´ in februari 1943 als enige van de 269 andere ongelukkigen uit de trein naar Westerbork gered. Ondanks deze ervaring heeft zij toch ten koste van geloofsgenoten getracht haar eigen hachje te redden. 60.000 mensen, vrouwen, mannen, bejaarden, kinderen.. ze zijn via de ´Sammelstelle’ en de ‘Kinderafdeling’ de vernietiging in gegaan en hoe men het ook keert of wendt, het was de Duitse bezetter enkel mogelijk om dit onvoorstelbare aantal naar de kampen te transporteren ‘dankzij’ de verregaande Joodse collaboratie!

    F.G.T.P. Santrouschitz

    • #8 door H.S. de Vries Robles op 14/12/2013 - 20:13

      Whahaha dit is werkelijk prachtig. Hoe verzint u het.
      Alle gedwongen arbeid voor een vijand is ineens collaboratie.

      Arbeitseinsatz tot slavernij.

      Kinderen van Nederlanders ingezet in Duitsland, mensen uit de kampen en bijna alle Surinamers …..

      Allemaal kinderen van collaborateurs .

      Hilarisch.

      Dit soort taal maakt u vrienden mee ;-))

      Het stellen dat het werk dat ze deed en het feit dat zij daarbij voor de Joodsche Raad werkte een causaal verband hadden met het wegvoeren van 60.000 mensen of zelfs maar het redden van haar eigen hagje lijkt mij niet aantoonbaar.

      Sterker nog dergelijke teksten zullen door velen die er bij betrokken waren en hun nageslacht als onnodig zeer kwetsend worden ervaren.

      Het negeren van het feit dat er met name in de Joodsche Schouwburg en de Creche sprake was van goed georganiseerd en effectief Joods verzet en het in een vals daglicht stellen van de achterliggende motivatie van de betrokkenen, is teken van een onnozelheid en onwetendheid die me gezien de rest van het artikel verbaast.

  7. #9 door R.A.F op 31/01/2012 - 01:56

    @#6

    en toen de staking er was kwam door toedoen van de ns stakers de hongerwinter .
    neee niet de kou hebben zij gebracht maar zij weigerde de treinen te laten rijden , zodat de aardappelen en suikerbieten in het noorden en oosten van het land lagen te rotten

  8. #10 door H.S. de Vries Robles op 14/12/2013 - 18:31

    Beste Santrouschitz,

    Ik heb het artikel met enige verbazing en vervreemding zitten lezen.

    Dat de Joodsche Raad een bedenkelijke rol heeft gespeeld waarbij kantekeningen gezet moeten worden staat voor mij als een paal boven water. De efficiente manier waarop de Joodse burgers werden verzameld was echter meer te danken aan de Nederlandse gemeentelijke administratie. Deze was uitzonderlijk goed georganiseerd en up to date.
    Ieder ander orgaan door de Duitsers ingesteld had minstens het zelfde resultaat kunnen bereiken.

    Dat eigenbelang heeft meegespeeld op diverse niveaus is volstrekt menselijk en doet geen afbreuk aan de gepleegde verzetsdaden. Zeker niet gezien het eigenbelang regelmatig opzij gezet werd voor een hoger meer algemeen doel.

    Verschillende opmerkingen, zoals bijvoorbeeld dat Walter Susskind “onverstoord” in Duitsland bleef wonen, lijken mij volstrekt ongeloofwaardig. Al ben ik niet direct in staat ze te weerleggen, denk ik niet dat er bewijs is dat deze opmerkingen ondersteunen kan.

    Ronduit vilijn en aantoonbaar onjuist is de volgende zinsnede betreffende onder anderen mijn vader.

    “Samen met andere leden die zich bij de ‘Joodse Raad’ voor een veilige job hadden opgegeven (zoals de arts Bert de Vries Robles en de econoom Raphaël Halverstad) zette Süskind zich er met verve voor in dat de deportatietreinen gesmeerd konden verlopen.”

    Mijn vader heeft zich reeds voor het aansluiten bij de Joodsche Raad met verzet bezig gehouden. Hij heeft zich niet opgegeven voor een veilig baantje, maar nadat de Duitsers zijn praktijk hadden gesloten, werd hij belast met het doen van keuringen in de Diamantbeurs (jan 1941). Daarvan is bekend dat hij zo veel mogelijk mensen afkeurde.
    Uiteindelijk is hem opgedragen de medische verantwoordelijkheid te dragen voor de Joodsche Schouwburg en de creche ertegenover.

    Van zijn illegale werk daar tot aan het einde van de oorlog , waarvan een aantal acties aan anderen worden toegeschreven, zijn mij genoeg details bekend. Deze worden ondersteund door een verklaring en 23 onafhankelijke getuigenverklaringen welke in mijn bezit zijn.

    Mijn vader heeft altijd pertinent geweigerd enige credits voor hemzelf op te eisen omdat hij vond dat hij het moest doen. Daarom zult u ook in weinig bronnen meer dan zijn naam tegen komen en het feit dat hij als arts erbij betrokken was.

    Mijn conclusie is dat uw stuk behoorlijk gedegen onderbouwd is en ook af en toe de plank flink mis slaat. Helaas maakt de negatieve insteek en hineiniterpretierte motivatie van de personen in het artikel het gehhel een stuk minder geloofwaardig en waardevol.

    Met vriendelijke groet,

    Hein de Vries Robles

  1. WE HEBBEN NU OOK ONZE EIGEN SCHINDLER! « HERSTEL DE REPUBLIEK

Uw reactie wordt op prijs gesteld

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 85 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: