Limpus & Liman von Sanders – Ottomaanse Militaire Missies

Otto Liman von Sanders

Door: Fré Morelvasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend.

De bemoeienissen van de Duitse generaal Otto Liman von Sanders met het Turkse leger in de aanloop tot én tijdens de ‘Groote Oorlog’ heeft in de geschiedschrijving een bijzondere plaats gekregen. De militaire missie onder zijn leiding werd gebruikt om de Duitse plannen voor de door haar nagestreefde ‘Weltmacht’ te illustreren. Ze werd gepresenteerd onderdeel te zijn van een bewust gevoerde agressieve koers met de oorlog van 14-18 als logisch resultaat. Wát was er zo bijzonder aan deze missie en wat was de reden dat men zo gebeten was op Liman von Sanders? Duitsland was namelijk niet het eerste land dat activiteiten ontplooide binnen de Ottomaanse krijgsmacht. Engeland was bijvoorbeeld al sinds al sinds 1868 nauw betrokken bij de opbouw en ontwikkeling van de Ottomaanse krijgsmacht. De Engelse admiraal Hobart Hamden vervulde vanaf dat jaar een belangrijke rol binnen de Ottomaanse marine en zou in 1885 zelfs opklimmen tot persoonlijk adviseur van de Sultan. Ook Frankrijk was nauw betrokken met het rijk der Ottomanen, met name door middel van haar grote betrokkenheid met de douane en het bankwezen.

Mede door haar grote militair-economische strategische positie werden de grenzen van het Ottomaanse Rijk constant bedreigd door de gebiedshonger van haar Engelse, Russische en Franse tegenstrevers. Nadat in 1871 Duitsland als overwinnaar uit de Frans-Pruisische oorlog tevoorschijn was gekomen en daaruit het Tweede Duitse Rijk tevoorschijn kwam richtten de Osmanen zich tot dit nieuwe Rijk voor o.a. militaire ondersteuning. Om minder van de Engelse en Franse wapenleveranties afhankelijk te zijn werd op verzoek van de Turken het Ottomaanse leger gereorganiseerd met Duitse ondersteuning. Onder toezicht van de Duitse generaal Colmar Freiherr von der Goltz werden in de periode van 1883 tot 1895 grote hoeveelheden Krupp geschut en aanzienlijke hoeveelheden diverse vuurwapens geleverd. Het Duitse Rijk werd een nieuwe speler in het militair-strategische gebied van de Bosporus.

[1] Zieke Oude Man

Na enkele bloedige conflicten zoals de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878, een oorlog met Griekenland in 1897 en de Eerste- en de Tweede Balkan-Oorlog van 1912 en 1913 – zette het Ottomaanse Rijk zich schrap voor een volgend conflict. Een oorlog die naar alle verwachting gevoerd zou worden met haar rivaal en buurland Griekenland met alle mogelijke consequenties die voortvloeiden uit de sleutelpositie die ze in de regio vervulde. De andere grootmachten uit die tijdsperiode – Engeland, Rusland en Frankrijk – aasden als roofgieren op elke mogelijkheid de scepter over te kunnen nemen van de ‘Zieke Oude Man’. Elk van hen was gebrand op een zo groot mogelijke invloed binnen het Ottomaanse Rijk dat zijn beste tijd al achter zich had.

Engels – Ottomaanse bemoeienis

Door een van buitenaf bewust gevoede ‘verdeel-en-heers’ politiek heerste er grote instabiliteit binnen het rijk. Angst om door kringen binnen het eigen militaire apparaat van de troon gestoten te worden leidde er onder andere toe dat de Ottomaanse krijgsmacht in een deplorabele toestand verkeerde. Ondanks dat werden binnen legerkringen constant pogingen ondernomen de krijgsmacht naar een hoger plan te tillen. In 1904 werden twee Amerikaanse officieren – Admiraal Bucknam en Captain Ledbetter – aangetrokken om de marine onder handen te nemen, zonder zichtbaar resultaat. Daarop verzocht de Ottomaanse regering in 1908 Engeland haar te assisteren de marine te moderniseren en 2 februari 1909 maakte admiraal Douglas Gamble zijn opwachting in Constantinopel. Hij zou zich – overigens zónder merkbaar resultaat – tot maart 1910 bezig houden met de sterk verouderde marine. In april 1910 werd hij opgevolgd door admiraal Hugh Williams die tot april 1912 – net als zijn voorganger Douglas Gamble – weinig vordering maakte met de modernisering van de vloot. De Ottomanen waren over de Engelse ‘inspanningen’ dan ook niet tevreden.

De vlootopbouw

De Ottomaanse vloot bestond in die periode uit een samenraapsel van 52 oude en nieuwe schepen, sterk verschillend in grootte en sterkte waarvan er 24 in zo’n slechte technische staat verkeerden dat ze niet inzetbaar waren. De aankoop van twee – 20-jaar oude – Duitse oorlogsschepen uit de Brandenburgklasse in augustus 1910 moest de Turkse vloot in staat stellen enig tegenwicht te bieden aan het op een Italiaanse werf op stapel staande Griekse oorlogsschip de ‘Averoff’. Tussen deze beide rivalen was een heuse wapenwedloop gaande. De Ottomaanse wens om moderne(re) Engelse oorlogsschepen aan te schaffen werd echter stelselmatig getorpedeerd, zoals op 10 juli 1910 toen Engeland weigerde de ‘Swifture’ en ‘Triumph’ te verkopen. Daarvoor in de plaats bood ze twee kleinere schepen aan met beduidend minder vuurkracht. Van Duitsland werden toen wél ‘passende’ oorlogsbodems betrokken. In mei 1911 stemde Engeland uiteindelijk in met de bouw van twee ‘Dreadnoughts’ wat in Griekenland tot grote irritatie leidde. Op 6 december 1911 werd de kiel van één van de in mei 1911 bestelde ‘Dreadnoughts’ – de ‘Reshadiye’ – gelegd. Frankrijk raakte op haar beurt ook geïrriteerd omdat zij van mening was dat Engeland bovenmatig profiteerde van de economisch aantrekkelijke wapenwedloop tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

Gecontroleerde modernisering

Dat de beide Engelse admiraals niet bijzonder succesvol waren, was niet in de laatste plaats de wijten aan de opdracht om vooral de Engelse belangen in het oog te houden. Een moderne, slagkrachtige marine was iets waarvoor ‘Good Old Albion’ het minste belangstelling had. Een strijdmacht die ze mogelijk in de toekomst als tegenstander op haar pad zou kunnen vinden. Een militair krachtige natie vormde – in dat voor haar zo belangrijke deel van de wereld – een forse bedreiging en een sterke marine was evenmin in het belang van haar ‘Entente-genoot’ Rusland. Zich afzijdig houden van de ‘vlootmodernisering’ zou betekenen dat ook haar invloed minimaal zou zijn, iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen.

“If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed” zoals het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken aan Rusland liet weten.

[2] Admiraal Limpus

Rear Admiral SIR Arthur Limpus

Toen het mandaat van admiraal Hugh Williams op zijn eind liep werd op 11 maart 1912 admiraal Arthur Limpus tot zijn opvolger benoemd. Deze admiraal met één jaar ervaring werd door Winston Churchill aangeprezen als een “fine fellow’ who would make a good personal impression”. Begin mei 1912 arriveerde Limpus met zijn staf in Constantinopel. Ook Limpus was gehandicapt door het mandaat dat hij meegekregen had. Tóch slaagde hij er in een opdracht voor een drijvend reparatiedok binnen te halen dat door de ‘Armstrong Vickers Company’ gebouwd zou worden. Limpus liet weten dat met deze opdracht de invloed binnen de Ottomaanse marine een massieve voorsprong voor Engeland betekende. Zoals hij het omschreef was het een `practical monopoly of naval construction and repairs for thirty years.’ Het Ottomaanse Rijk bleef ondertussen onverkort vasthouden aan haar koers om haar vloot uit te bouwen en te moderniseren met grote oorlogsbodems maar ondervond ze een zeer terughoudend Engeland op haar pad.

Duitse inmenging

Het succes van Limpus met het reparatiedok werd overschaduwd door de komst van de Duitse generaal Liman von Sanders die niet zoals de Engelse missies door een mandaat gehinderd werd. Het lokte nogal heftige Engelse en Russische reacties uit. Met name Rusland stond nogal wat drastische maatregelen voor: “the three powers must be prepared to take active steps such as the occupation of Turkish Ports”, aldus minister Sazonov. Maar, de Engelse en Russische protesten haalden niets uit. De Groot Vizier reageerde daarop door mee te delen de Duitse missie gelijkwaardig aan die van Engeland te beschouwen, “Limpus had a similar if not more extensive command”. “Admiral Limpus had command of the whole Turkish fleet, whereas the German general was to have command of one army corps only … the two commands could hardly be compared in importance.”

De Duitse militaire missie

Eind 1912 polste het Ottomaanse Rijk het Duitse Keizerrijk hoe het dacht over het zenden van een militaire missie om haar leger te reorganiseren. Terwijl verkennende besprekingen daarover gaande waren bracht de Russische Tsaar in mei 1913 een bezoek aan Berlijn waar de Duitse keizer hem op de hoogte bracht van het Turkse verzoek, een verzoek waartegen hij geen bezwaar aantekende. Op 22 mei 1913 volgde daarop het officieel Turkse verzoek en benoemde Duitsland op 30 juni 1913 generaal Liman von Sanders tot leider van de Duitse militaire missie naar Constantinopel. In de gesloten overeenkomst liet de Turkse regering in augustus 1913 vastleggen dat Liman von Sanders in de functie van Ottomaans generaal het in Constantinopel gelegerde 1e Legerkorps zou omvormen tot een elite-eenheid. Toen in december 1913 de Duitse missie in Constantinopel arriveerde en haar specifieke taak naar buiten gebracht werd stuitte dat op hevige Russische protesten. Ook in Engeland was men ‘not amused’ en ook de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau was niet bepaald enthousiast. Men meende de zending van de missie als een stap te moeten presenteren van Duitsland om de macht in die belangrijke regio naar zich toe te trekken en de ‘Turkse geest te vergiftigen’- (‘poisoning the Turkish mind’).

Cosmetische aanpassingen

De grootmachten vergaten daarbij voor het gemak de eigen belangenverstrengeling binnen zowel het Osmaanse leger áls de marine. Om aan de bezwaren enigszins tegemoet te komen werd besloten een cosmetische aanpassing aan te brengen in rang en titel van Liman von Sanders. In januari 1914 werd hij tot Ottomaans maarschalk benoemd en kreeg hij de opdracht mee om zich in de minder belangrijke functie van ‘Inspecteur Generaal’ te belasten met de meer algemene reorganisatie van het Ottomaanse leger. Terwijl Liman von Sanders zich met de modernisering van het leger bezig hield, hield het Ottomaanse Rijk nauw contact met de Engelse marinemissie om haar marine te versterken.

[3] Vlootpolitiek

Door geldgebrek was in 1912 de bouw van de tweede – in 1911 bestelde – ‘Dreadnought’, de Mahmud Resad V geannuleerd. In januari 1913 liet Sir Gerard Lowther – de Engelse ambassadeur in Constantinopel – aan zijn regering weten dat het Ottomaanse Rijk grote grote belangstelling had voor de ‘Rio de Janeiro’, een ‘Dreadnought’ welke in opdracht van Brazilië op een Engelse werf gebouwd werd. Behalve Ottomaanse zijde was er ook van Russische en Italiaanse kant interesse in dit schip, dat Brazilië door financieringsproblemen van de hand wilde doen maar nog niet officieel ‘op de markt’ gebracht was. Het schip zou niet eerder dan in de zomer van 1914 van stapel lopen wat Turkije wel als een handicap beschouwde. Duitsland bood daarop twee 19-jaar oude schepen aan die wel direct ter beschikking waren. In reactie op het Duitse aanbod liet Limpus in een bericht van 12 maart 1913 aan Winston Churchill weten dat zo’n aankoop de Ottomanen steviger in Duitse armen zou drijven en hij drong er op aan dat Engeland een tegenbod moest doen door bijvoorbeeld 2 oudere types ‘Dreadnought’ aan te bieden. In antwoord hierop liet Winston Churchill op 3 april 1913 aan Limpus weten niets anders dan twee oude en afgedankte ‘Royal Sovereigns’ in de aanbieding te hebben, een aanbod dat van Turkse zijde werd afgeslagen.

Braziliaanse ‘Dreadnought’

Rio de Janeiro (Osman I)

Ondertussen ging het getouwtrek om de ‘Rio de Janeiro’ stug door. Italië leek de koop rond te hebben, wat Frankrijk weer in allerhoogste alarmfase bracht. Een oorlogsbodem met zulke formidabele vuurkracht als onderdeel van de marine van de Italiaanse buurstaat was iets wat niet wat in Frans belang was. Frankrijk deed daarop Griekenland het voorstel het schip te financieren en leek ze daarin succesvol te zijn. Op 22 november 1913 informeerde het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken Churchill dat de financiering rond was, waarna deze zijn goedkeuring gaf en de werf de waarschuwing kreeg het schip niet aan een andere partij dan Griekenland te verkopen. Uiteindelijk ging het schip tóch aan de Griekse neus voorbij. Op 15 december 1913 werd bekend dat het Ottomaanse Rijk toch de nieuwe eigenaar geworden was van de ‘Rio de Janeiro’. Ze was aangekocht met behulp van een Franse lening…..[..] en hernoemd in ‘Sultan Osman I’. Het financiële belang had gewonnen. Als bonus bij de verkoop was namelijk bedongen dat ook de renovatie van de Ottomaanse scheepswerven door Armstrong Whitworth bij de deal waren inbegrepen, eveneens door Frankrijk gefinancierd.

Engelse confiscatie

Op 3 september 1913 werd de in 1911 bestelde ‘Reshadiye’ te water gelaten en begon de verdere afbouw van het schip. De Turken waren er op gebrand om de ‘Reshadiye’ en de ‘Sultan Osman I’ zo snel als mogelijk in eigen wateren te hebben, niet in de laatste plaats vanwege de ontwikkelingen op maritiem gebied in de Griekse buurstaat. Een Turkse bemanning was al in Engeland om de ‘Reshadiye’ naar eigen wateren te varen en admiraal Limpus werd op 27 juli 1914 naar Engeland gezonden om de levering te begeleiden van de ‘Sultan Osman I’. Bij het ontbreken van een voldoend opgeleide Turkse bemanning kreeg hij de opdracht mee dit schip te laten bemannen met Engelse marineofficieren ‘in ruste’. Het zou vergeefse moeite zijn. De Armstrong Whitworth werf kreeg op 31 juli 1914 van Winston Churchill de opdracht het schip vast te houden en niet te overhandigen, in de middag gevolgd door een bestorming van het schip door Engelse mariniers die het schip in bezit namen. De actie kwam voor Enver Pasha niet onverwacht. Ook de ‘Reshadiye’ werd door Engelse mariniers bestormd, haar Ottomaanse bemanning gevangen genomen en het schip geconfisqueerd.

Omgeslagen publieke opinie

Zowel de ‘Sultan Osman I’ als ‘Reshadiye’ werden na een verklaring van Winston Churchill op 3 augustus 1914 in de Engelse vloot opgenomen en omgedoopt tot respectievelijk ‘HMS Agincourt’ en ‘HMS Erin’. Op 22 augustus 1914 werd ‘HMS Erin’ officieel in gebruik genomen. Beide schepen zouden in de slag bij Jutland in 1916 slag leveren met de Duitse vloot. Een ander – nog in 1914 bij de Engels Vickers werf bestelt – schip dat de naam ‘Fatih’ had moeten dragen werd bij het uitbreken van de oorlog niet meer in productie genomen. In totaliteit zou het Osmaanse rijk in 11 jaar (tot aan 1914) 40 schepen van Engelse werven aanschaffen. Door de annexatie van de schepen beroofde Engeland het Ottomaanse rijk tegelijk van een investering van £ 4.000.000,– (€ 365 miljoen in 2011), een bedrag dat voor een groot deel door haar burgers in een nationale schooi- en bedelcampagne bij elkaar gebracht was. De Engelse actie zorgde ervoor dat de publieke opinie omsloeg in haar nadeel.

Duitse compensatie

De Engelse actie zou er voor zorgen dat het Ottomaanse Rijk zich aan de kant van de Centrale Mogendheden stelde. Ze ontving ter compensatie van de door Engeland in beslag genomen schepen op 12 augustus 1914 de volledig bemande Duitse oorlogsbodems ‘SMS Goeben’ (omgenoemd tot Javuz Sultan Selim) en de ‘SMS Breslau’ (omgedoopt in Midill). Admiraal Limpus werd op 15 augustus 1914 van zijn functie ontheven waarna hij naar Malta vertrok om in september 1914 zijn nieuwe post te betrekken ‘Superintendent of the dockyard’. De Duitse admiraal Souchon werd daarop door de Sultan tot opperbevelhebber van de Ottomaanse Vloot benoemd.

[4]  Griekenland

Engels vlootcommando in Griekenland

Ook de Griekse marine kende onder soortgelijke condities als het Ottomaanse rijk ondersteuning van Engelse militaire missies, zoals onder admiraal Lionel Tufnell die Griekenland moest adviseren. Griekenland bevond zich in een wapenwedloop met het haar buurnatie en was druk doende haar vloot op ‘oorlogssterkte’ te brengen. Begin 1910 wist ze een – oorspronkelijk voor de Italiaanse marine geplande – kruiser aan te kopen. Op de Orlando-werf in het Italiaanse Livorno was begin 1910 de kiel gelegd van deze £ 950.750,- kostende kruiser die om budgettaire redenen al spoedig stilgelegd werd. Op 27 februari 1910 zag Griekenland kans schoon de kruiser voor 30% van de originele kostprijs aan te kopen en volgde op 12 maart 1910 de officiële bekrachtiging. Het aankoopbedrag werd voor een deel betaald uit de nalatenschap van de Griekse zakenman Giorgios Averoff, het overige deel werd via buitenlandse kredieten gefinancierd. De nieuwe kruiser zou de naam van de ‘gulle gever’ gaan dragen ‘Giorgios Averoff’.

Ook bij de Vulcan werf in het Duitse Hamburg plaatse Griekenland de bouw van een kruiser, die oorspronkelijk de naam ‘Vasilfs Georgios’ zou meekrijgen. Onder de uiteindelijke naam ‘Salamis’ zou deze slagkruiser voorzien worden van geschut van Amerikaanse makelij maar werd ze nooit uitgeleverd. Het uitbreken van de oorlog in 1914 zorgde ervoor dat de bouw werd opgeschort.

Admiraal Mark Edward Frederick Kerr

Admiral Kerr

Begin 1913 diende Griekenland haar verzoek in de militaire missie te vernieuwen maar dan niet geleid door ‘naval pensioners’ zoals Tufnell maar onder commando van een officier in actieve dienst. Op 2 juni 1913 liet Winston Churchill per brief aan de Griekse minister van marine weten dat door de snelle groei van de Engelse marine moeilijk aan die wens tegemoet kon worden gekomen, maar dat hij er tóch in geslaagd was een geschikte kandidaat te vinden. Admiraal Mark Edward Frederick Kerr – een protegé van Louis Alexander von Battenberg (ná 1917 Lord Mountbatten genoemd) – werd uitgezonden en op 17 september 1913 nam hij het commando van de Griekse marine op zich. Kerr zag zijn benoeming niet zozeer als een promotie, eerder als een belemmering van zijn marinecarrière en dat zou hij op een nogal bijzondere manier laten gelden.

Kerr kreeg van Churchill de opdracht mee niet té meegaand te zijn en vooral toch het Engels belang boven het Grieks belang te stellen. Een slagkrachtige Griekse marine was – net als een moderne Ottomaanse vloot – niet in het belang van het ‘English Empire’. Ook hier gold dat afzijdigheid bij de ‘vlootmodernisering’ gelijk zou staan aan minimaal invloed. Iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen. Om de regie te kunnen voeren in de modernisering nam ze een ‘actieve’ rol op zich, want “If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed….”
 
Engels Mandaat

Kerr kreeg van Winston Churchill een gelijksoortig mandaat mee als zijn tegenhangers in Ottomaanse dienst:

“It is not intended that the instruction and assistance we are giving to the Greek Navy should place them on the same level of naval science as the British. The refinements of our gunnery, torpedo, and submarine courses should not be disclosed but only that general information such as would be appropriate to foreign officers allowed for instructional purposes to attend certain courses.”

Kerr’s verzoek aan Mountbatten

Gehinderd door dit mandaat kreeg Kerr het herhaaldelijk aan de stok met minister-president Eleutherios Venizelos die – evenals zijn Ottomaanse tegenhangers – de zinnen had gezet op zwaar oorlogsmaterieel. Zijn verstandhouding met de Griekse koning Constantijn was daarentegen zeer bijzonder en intens. Dit vertaalde zich in grote sympathie en loyaliteit, iets dat hem in een moeilijke positie bracht. Door het mandaat gehinderd kon Kerr niet anders dat elk verzoek van levering van grote en zware slagschepen saboteren. Door te lobbyen via zijn beschermheer Lord Mountbatten probeerde hij ter compensatie ondersteuning los krijgen als er daadwerkelijk tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk oorlog uitbrak in de vorm van Engelse onderzeeërs, destroyers en kruisers. Hij verbond daaraan verregaande persoonlijke consequenties:

“If war breaks out in the spring or summer when we are so weak, I feel I should change my nationality and fight for these people. I know it means ruin for me afterwards, but I have a strong feeling that I should do so. I would not feel so, except for the fact that they will be so weak, having no one who knows how to work a flotilla and I may make the difference of victory or defeat.”

…. een verzoek geen Engels belang diende en bij voorbaat kansloos was.

Uitbreiding van de vloot

Griekenland bleef naarstig op zoek naar aanvulling op haar vloot. Ze bood Japan een fluks bedrag voor haar kruiser ‘Kongo’, maar de deal ging niet door. China bood een kleine kruiser aan die op het punt stond de Amerikaanse scheepswerf te verlaten…, het woog allemaal niet op tegen de komst van de twee Ottomaanse ‘Dreadnoughts’ de ‘Reshadiye’ en de ‘Sultan Osman I’. In haar wanhoop bood ze begin 1914 met gulle hand op twee afgedankte Amerikaanse oorlogsschepen, de ‘Idaho’ en de ‘Mississippi’, schepen die de ‘New York Times’ omschreef als: ‘In the ordinary course, the ships would be consigned to the scrap heap, or be used as targets’.

Amerikaanse afdankertjes

Op 28 mei 1914 gaf de Amerikaanse Senaat hieraan haar goedkeuring maar even leek het nog dat de Ottomanen gelukt was roet in het eten gooien. Zij boden een hoger bedrag voor de dodelijke schroot. Tijdens een Senaatszitting van 23 juni 1914 werden de afdankertjes alsnog aan Griekenland gegund. De afgeschreven schepen leverden meer op dan de originele bouwkosten! Admiraal Kerr was woedend over de aankoop die Venizelos achter zijn rug om gedaan had: “The deal ruined the progress of the Greek navy for the rest of the time I was there, and afterwards”.

De ‘Idaho’ – die (héél comfortabel) op oefening was in de Middellandse Zee – kon snel worden overgedragen zodat Griekenland haar mogelijk nog kon inzetten voordat de ‘Sultan Osman I’  van de Engelse werf zou varen.

Een afhoudende koers

First Lord of the Admiralty - Winston Churchill

Toen de ‘Groote Oorlog’ op het punt van uitbreken stond ontving Admiraal Kerr van de kant van de First Lord of the Admiralty – Winston Churchill – het verzoek de Griekse marine aan geallieerde zijde te plaatsen. Kerr stelde daaraan dusdanige eisen dat van een samengaan geen sprake kon zijn. De gevraagde Griekse maritieme ondersteuning in een Engelse campagne in de Dardanellen kwam niet tot stand. Kerr wilde ‘zijn’ Griekenland zo lang als mogelijk buiten de gevechten en zo mogelijk neutraal houden. Zo nam hij ‘radiostilte’ in acht rondom de beide Duitse oorlogsschepen de ‘Breslau’ en de ‘Goeben’ die onder commando van admiraal Wilhelm Anton Souchon richting Griekenland opstoomden. De exacte locatie van beide schepen was hem bekend maar hield hij deze informatie 3 dagen voor zich vóórdat hij deze informatie via prins Sdemidoff – de Russische ambassadeur in Athene – doorspeelde. Sdemidoff telegrafeerde deze uiterst strategisch belangrijke informatie naar de admiraliteit in St. Petersburg die op haar beurt de Engelse admiraliteit op de hoogte bracht. De goede verstandhouding die Kerr had met de Duitse keizer zal zeker meegewogen hebben in de door hem gemaakte keuze. Kerr kende de keizer persoonlijk. Hij had hem meerdere keren ontmoet zoals in 1889 toen prinses Sophie – zuster van de keizer – met de Griekse prins Constantijn trouwde en in april 1908 op het eiland Corfu waar hij een lange ontmoeting met hem gehad had.

Van zee- naar luchtmacht

Al met al was de houding van Kerr voor de de First Lord of the Admiralty reden op hem in 1914 van zijn Griekse post te ontheffen. De carrière van Kerr binnen de Engelse marine was definitief voorbij en moest hij zijn heil anders zoeken. Kerr nam vlieglessen en kreeg via zijn machtige connecties uiteindelijk een aardig betaalde positie binnen de Engelse luchtmacht. In 1919 wist Kerr voor een moment terug te komen in de wereldaandacht. Samen met Air Commodore H.G. Brackley wist hij de eerste ‘lucht-post’ vlucht te maken van New Foundland naar New York.

Duits commando

De talloze verzoeken van zowel Griekenland als het Ottomaanse rijk om een met Engeland af te sluiten alliantie of bondgenootschap waren al die jaren stelselmatig afgewezen. Terwijl Griekenland zich neutraal probeerde op te stellen sloot het Ottomaanse Rijk op 1 augustus 1914 een overeenkomst met het Duitse Keizerrijk. Ze zette admiraal Souchon aan het hoofd van haar marine en benoemde generaal Liman von Sanders in augustus 1914 tot bevelhebber van het vijfde Turkse leger in de Bosporus.

Zijn invloed was in eerste instantie beperkt en tegen zijn uitdrukkelijk advies in ging Enver Pasha op 22 december 1914 over tot een stoutmoedig plan om met het 3e Turkse leger de aanval te openen op het Russische Kaukasusleger. Hij had daarmee de bedoeling om in de Russisch-Turkse oorlog van 1877 verloren gebieden terug te veroveren. Het zou een militaire blunder van de eerste orde zijn met catastrofale gevolgen. Het Turkse leger werd in de ‘Slag van Sarikamish’ vernietigend verslagen en op 17 januari 1915 waren van de 95.000 manschappen slechts 20.000 over! Na deze mislukte operatie droeg Enver het commando over op generaal Hafiz Hakki en gaf collaboratie van Armeniërs aan als reden voor het mislukken van de veldtocht.

Na een opeenvolgende mislukte operatie eind januari 1915 in Egypte om het Suezkanaal in handen te krijgen onder aanvoering van de al even onkundige Djemal Pasha kwam het commando in handen van Liman von Sanders. Het was onder zijn commando dat de geallieerde aanvallen op de Dardanellen in maart 1915 stuk liepen op het door hem gecommandeerde 5e Turkse leger. Anders dan zijn tegenhangers in Engelse dienst die jarenlang de militaire opbouw frustreerden was Liman von Sanders  niet gehinderd door beperkende mandaten. Kampend met dezelfde problemen binnen het militaire apparaat wist hij wél – en dat binnen ettelijke maanden – het Ottomaanse leger te reformeren tot een slagkrachtig leger. Dit alles was er de reden van dat Liman von Sanders zich bij de geallieerden weinig geliefd maakte.

[5] Naspel

Nadat de ‘Groote Oorlog’ in het voordeel van de geallieerden was beslecht werd Liman von Sanders door zijn rancuneuze tegenstanders op 3 februari 1919 als oorlogsmisdadiger op Malta vastgezet. Hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de Armeense genocide door Turkije, een beschuldiging die niet hard gemaakt kon worden. Het was juist mede door de persoonlijke tussenkomst van hém geweest dat de Armeniërs van Constantinopel en Smyrna enigszins gespaard bleven! Nadat ook Sir Ian Hamilton – zijn Engelse tegenhanger in de slag om de Dardanellen – zich voor hem ingezet had werd hij op 26 juli 1915 uit zijn eenzame opsluiting bevrijd waarna hij in augustus 1919 arriveerde in Berlijn.

Geraadpleegde Bronnen:

G. von Jagow, Reimar Hobbing, Ursachen und Ausbruch des Weltkrieges, Berlin, 1919
www.kcl.ac.uk/lhcma/locreg/LIMPUS.shtml 
en.wikipedia.org/wiki/Otto_Liman_von_Sanders 
www.gallipoli-association.org/contentpage.asp?pageid=35 
www.firstworldwar.com/bio/liman.htm 
en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Sarikamis 
en.wikipedia.org/wiki/First_Suez_Offensive 
de.wikipedia.org/wiki/Colmar_Freiherr_von_der_Goltz 
www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm 
Deutsche Militärmissionen im Osmanischen Reich
www.stahlgewitter.com/14_10_30.htm 
www.superiorforce.co.uk/ 
en.wikipedia.org/wiki/Mark_Kerr_(admiral)  
www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm 
www.superiorforce.co.uk  
de.wikipedia.org/wiki/HMS_Erin 
http://hnsa.org/ships/averoff.htm 
www.bsaverof.com/uk/history.htm 
www.geocities.com/roynagl/handleypage.htm 
www.knerger.de/Die_Personen militar

http://www.mtholyoke.edu/acad/intrel/rooney.htm

http://www.armenian-genocide.org/1916-1.html

,

  1. #1 door Gerard de Boer op 14/02/2012 - 12:25

    Wederom een boeiend artikel.

  1. GRIEKENLAND OORLOGSGEBIED « HERSTEL DE REPUBLIEK

Uw reactie wordt op prijs gesteld

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: