Vlucht voor Volk en Vaderland

Het schandelijk dagboek der Oranje Englandvaarders

Als op dinsdag 6 september 1898 de dan 18-jarige Wilhelmina van Oranje tot koningin van Nederland gekroond wordt, zweert ze daarbij plechtig dat ze ”de grondwet steeds zal onderhouden en handhaven”.  Het is deze eed die ze in mei 1940 op de meest verraderlijke en schandelijke wijze zal breken met haar lafhartige vlucht naar Engeland. Niet Landsbelang maar eigenbelang prevaleerde!

Door: F.G.T.P. Santrouschitz

SIS/MI6 en GSIII, geheime diensten in actie!

De Eerste Wereldoorlog was in 1918 ten einde gekomen en het (niet geheel) neutrale Nederland nam zijn positie in het hevig ontkroonde Europa weer in. In hoeverre Nederland als een betrouwbare bondgenoot beschouwd kon of gekneed moest worden bij ’t kimmend oorlogsgeweld was voor het Engelse wereldrijk een onzekere maar alles bepalende factor. De in Nederland opererende Britse Secret Intelligence Service (SIS c.q. MI6) bleef dan ook in het naoorlogse volledig opgetuigd en operationeel actief. Naast eigen agenten maakte ze dankbaar gebruik van de (grotendeels door Engeland gefinancierde) Nederlandse geheime dienst, de GSIII. Deze GSIII(-A) werd in september 1913 (mede) opgericht door kapitein Hendrik Anton Cornelis Fabius en cavalerieofficier Carel Albert van Woelderen als inlichtingendienst van de Nederlandse Generale Staf. De afdeling die zich met contraspionage bezig hield GSIII(-B) stond onder leiding van Cornelis Schelto Sixma baron van Heemstra.

De samenwerking en verbinding tussen de MI6 en de GSIII was zo nauw en verweven dat amper gesproken kon worden van een onafhankelijk opererende Nederlandse inlichtingendienst. Tussen 1914 en 1920 financierde de MI6 Van ’t Sant (in casu de GSIII) met een bedrag van 25.000 Britse ponden (met een huidige tegenwaarde van ongeveer een slordige 115.000 €uro), beduidend méér dan de Nederlandse overheid voor deze dienst aan budget beschikbaar gesteld had in diezelfde periode! In wezen kon de GSIII beschouwd worden als onlosmakelijk onderdeel, zogezegd de ‘vastelandtak’, van de MI6. Het hoofdkwartier van MI6 was gevestigd aan de Boompjes 76 in Rotterdam onder de dekmantelfirma ‘Uranium Steamship Company’ – USC. Deze maatschappij zelf was in haar kern al te beschouwen als een schaduwbedrijf, opgezet door kapitaalkrachtige Engels-Joodse financiers. Het vervoeren van Joodse landverhuizers was haar ‘core-business’, handelsvracht was bijzaak. De USC dreef voor dat doel in Rotterdam zelfs een hotel dat geschikt was om 2.100 landverhuizers – hun ‘handel’ – tussentijds te herbergen. Richard Bolton Tinsley was naast vertegenwoordiger van deze Engelse scheepvaartmaatschappij óók de chef van de inlichtingendienst die onderdak gaf aan een tiental agenten.

Eén van hen was Sigismund Payne Best die voor zijn geheime dienst carrière tussen 1908 en 1913 in München gestudeerd had. Gedurende WOI was hij actief in Frankrijk, Nederland en België. Vanuit een Limburgs Café coördineerde hij het spionagenetwerk in het door Duitsland bezette België. Dit netwerk bestond uit meer dan duizend personen en was bekend onder de naam ‘La Dame Blanche’. Alle verkregen inlichtingen bereikten Engeland via de lijn Best/Tinsley. Payne Best keerde in 1919 naar Nederland terug, trouwde in 1920 met een gefortuneerde Nederlandse en bleef er wonen. Naast zijn eigen, vaak schimmige en onduidelijke zaken, hield hij zich actief bezig met inlichtingenwerk. Onder supervisie van kolonel Claude Edward Marjoribanks Dansey (waarmee hij binnen MI6 in 1917 nauw samengewerkt had) richtte Best in 1936 de Continental Trade Service op (ook wel Pharmisan genoemd, een bedrijf dat handelde in farmaceutische producten). Ook dit bedrijf was een dekmantelbedrijf, een onderafdeling van MI6 met de naam ‘Z-organisation’. Deze tak stond onder commando van Claude Dansey. De Nederlandse afdeling ervan die gevestigd was aan de Nieuwe Uitleg 19 in Den Haag stond onder supervisie van Payne Best.

Na het afscheid van kapitein Fabius nam Carel Albert van Woelderen tijdelijk de bevelvoering over van de GSIII. Van 1 augustus tot 30 september 1919 trad hij op als een soort van tussenpaus waarna generaal-majoor Johan Willem van Oorschot de scepter overnam. Van Woelderen werkte vanaf oorlogsbegin samen met de door kapitein Fabius aangeworven François van ’t Sant, bij het uitbreken van WOI chef van de Rotterdamse rivierpolitie. Van ’t Sant stond op zijn beurt weer in nauw contact met Richard Bolton Tinsley, in dagelijks leven zijn bevriende overbuurman. Beiden woonden aan de Heemraadssingel, Van ’t Sant op nummer 302b, Richard Bolton Tinsley daar schuin tegenover op nummer 203. Beiden hadden op 23 februari 1911 al eens beroepsmatig de degens gekruisd in de zogenoemde ‘Volturno-affaire’. Eén van de schepen van de USC, de SS Volturno, had een 52-tal Russisch-Joodse landverhuizers aan boord die de toegang tot Amerika geweigerd was. Het was Tinsley’s opdracht deze retourvracht in Rotterdam aan te laten landen op doorreis naar Rusland terwijl Van ’t Sant de opdracht had dit te voorkomen. Van t Sant slaagde in zijn opdracht en Tinsley werd daarvoor in maart 1911 de wacht aangezegd. Als ongewenste vreemdeling moest hij het land verlaten, iets dat hij na enkele weken ook daadwerkelijk deed maar niet zonder beroep aan te tekenen. Iinvloedrijke achtergrondspelers maakten op het hoogste niveau de uitzetting van deze inlichtingenofficier ongedaan. Door tussenkomst van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken én koningin Wilhelmina persoonlijk kon Tinsley in juni 1911 zijn werkzaamheden in Nederland nagenoeg ongemoeid hervatten.

François van ’t Sant

Als zoon van een Nederlands Hervormde dominee startte François van ’t Sant zijn carrière op 2 juni 1901 als klerk en later telegraafambtenaar bij de PTT in Twente. Op 1 mei 1906 vertrok hij bij deze overheidsdienst om als schrijver bij de Rotterdamse rivierpolitie in dienst te treden. Het was het begin van een opvallende carrièreswitch die zonder de juiste contacten binnen hooggeplaatste invloedrijke kringen niet makkelijk te maken was. Al na een half jaar viel hem een onverwacht snelle promotie ten deel en werd hij bevorderd tot inspecteur derde klasse om daarna op zijn 27e in 1910 tot hoofd benoemd te worden van de pas gevormde rivierpolitie in Rotterdam. Van ’t Sant zat tot over zijn oren in het door Engeland gesponsorde spionagenetwerk, gezien de door Nederland gekozen neutraliteitspolitiek een niet toegestane collaboratie. De innige samenwerking tussen de MI6 en de GSIII was niet onopgemerkt gebleven. Bij bekendwording zou dit nogal compromitterend zijn geweest voor Nederland, iets wat ook daadwerkelijk dreigde te gebeuren. De Rotterdamse officier van justitie, mr. D. J. Wolfson, ontving in 1916 meerdere anonieme brieven met daarin de waarschuwing dat de spionageactiviteiten van Van ’t Sant bekend gemaakt zouden worden als hiertegen geen actie ondernomen werd. Om dit te voorkomen werd Van ’t Sant noodgedwongen overgeplaatst. Zo gebeurde het dat op 27 november 1916, midden in de oorlog, Van ’t Sant op 33 jarige leeftijd benoemd werd tot commissaris van politie in Utrecht. Naast zijn belangrijke verbindingstaken tussen MI6 en GSIII die onveranderd bleven bestaan was het opzetten van een afdeling van de zedenpolitie één van zijn opdrachten. Het onderdrukken van revolutionaire oproer maakte een ander deel uit van zijn takenpakket.

De in 1916 verder opgevoerde uithongeringspolitiek van de geallieerden zorgde ervoor dat de gemoederen tegen het einde van de oorlog in Nederland zodanig verhit geraakt waren dat het land op de rand van een revolutie beland was. In 1917 raasde het revolutiespook door Rusland en in 1918 stak ook in Duitsland de revolutionaire storm op. De positie van de keizer was onhoudbaar geworden en achter de schermen werd koortsachtig gewerkt om het afdankende staatshoofd asiel te verlenen en hem in Nederland te parkeren. In oktober 1918 was de GSIII hierbij nauw betrokken. Via generaal Joannes Van Heutsz – haar adjudant in buitengewone dienst – mengde zich ook koningin Wilhelmina persoonlijk met deze zaak. In de periode van dinsdag 5 tot zaterdag 9 november 1918 werd door Van Heutsz tijdens zijn bezoek aan het Duitse hoofdkwartier in Spa de asielopvang voorbereid. Op zondag 10 november 1918 arriveerde om zes uur ’s ochtends de asielkeizer bij de Zuid-Limburgse doorlaatpost het ‘Witte Huis’ te Eijsden. Kaiser Wilhelm had zijn kroon verloren, maar enkel dank zij de Nederlandse en Engelse inlichtingendiensten waren zijn hoofd en leven gered! Maar.. óók de Oranjekroon dreigde te vallen en de situatie was grimmig. Opnieuw kwamen de inlichtingendiensten in actie. Onder regie van Van ’t Sant en Van Woelderen werd op 18 november 1918 het toneelstuk met de koets op het Haagse Malieveld opgevoerd. Met dit geënsceneerd aanhankelijkheidstoneel en gefingeerd eerbetoon aan het huis van Oranje werd het revolutiespook ternauwernood teruggedrongen. Zonder de Nederlandse (en Engelse) geheime dienst(en) zou ook de Oranjekroon onbetwist gevallen zijn!

Het legde Van ’t Sant en Van Woelderen géén windeieren. Van ‘t Sant werd als dank op 25 oktober 1920 gepromoveerd tot hoofdcommissaris van politie in Den Haag en richtte zich op verzoek van Wilhelmina ook op de amoureuze en financiële escapades van haar echtgenoot prins Hendrik von Mecklenburg-Schwerin. Op het financiële vlak wist Van ’t Sant prins Hendrik te voorzien van een solide geldstroom, dit in ruil voor inlichtingen die hun weg vonden naar de MI6. Wat betreft de seksueel perverse uitspattingen van prins Hendrik had hij zijn handen ook meer dan vol. Geselecteerde prostituees werden bij Van ’t Sant thuis ontboden waarna de prins discreet en zonder al te veel opzien zijn gang kon gaan. In 1925 wist Van ‘t Sant te voorkomen dat prins Hendrik met de billen bloot moest na een politie-inval in een Haags etablissement waar minderjarige jongens als lustobject gebruikt werden. Het door prins Hendrik bezwangeren van zijn eigen dochter in 1926 was één van de hete aardappels die Van ’t Sant uitstekend wist te meesteren. Ook Van Woelderen verleende hierbij waardevolle hand-en-span diensten. In 1927 speelde deze zaak onder de naam ‘Elisabeth le Roi’. De toen op 16-jarige leeftijd bezwangerde Juliana beviel op 11 maart 1927 van een dochter die bij de Burgerlijke Stand van de Brabantse gemeente Ginneken aangegeven werd, de zich later Marie Claire noemende Maria Jacoba Roovers. Van Woelderen werd voor zijn bewezen diensten in 1927 als dank de rang van majoor titulair toegekend en de onvoorwaardelijk aan Wilhelmina loyale handlanger Van ’t Sant verdiende de kwalificatie bruikbare- en intieme vertrouweling. Na de dood van koningin Emma op 20 maart 1934 en prins Hendrik op 3 juli 1934 dreigde o.a. rond de zaak ‘Elisabeth le Roi’ het een en ander aan het daglicht te raken. Van ’t Sant wist samen met Van Woelderen voldoende sporen uit te wissen, iets wat hem zijn baan als hoofdcommissaris kostte. Daarop werd besloten hem ‘wegens lichamelijke ongeschiktheid’ bij Koninklijk Besluit van 28 december 1934 met ingang van 1 januari 1935 eervol ontslag te verlenen. Als tegenprestatie benoemde Wilhelmina hem daarop tot haar particulier secretaris met een voor die tijd ongekend hoog jaarsalaris van 12.000 gulden. Het uiterst brandbare archief van Van ’t Sant waarin o.a. óók alle stukken over de affaire ‘Elisabeth le Roi’ waren opgenomen werd in opdracht van Wilhelmina in 1935 aan haar overgedragen en als persoonlijk eigendom opgenomen in het geheime archief van het Kabinet der Koningin.

Met de benoeming van Van ’t Sant tot haar particulier secretaris passeerde ze Cornelis Schelto Sixma baron van Heemstra en negeerde ze daarmee ook hetgeen Emma per testament bepaald had. Tot de dood van koningin Emma was de chef van GSIII-B – Van Heemstra – háár particulier secretaris. Emma had bepaald dat hij na haar dood als adviseur aan Wilhelmina toegevoegd werd maar de loyale handlanger werd royaal rechts gepasseerd. Ook zijn positie binnen de GSIII kwam in 1935 te vervallen. Het mag duidelijk zijn dat e.e.a. kwaad bloed zette wat leidde tot grote rivaliteit tussen de beiden. Het bloed van koninklijke vertrouweling Van ’t Sant kon door een steeds groter wordende groep lauw gedronken worden. Van Heemstra kon de actie van de eigenzinnige Wilhelmina maar moeilijk verkroppen maar probeerde desondanks tot aan haar vlucht in mei 1940 plichtsgetrouw zijn rol als particulier secretaris te vervullen, iets dat niet bepaald vlot verliep aangezien de majesteit al jaren geen énkel woord met hem wenste te wisselen.

Feyo Schelto, de zoon van Cornelis Schelto Sixma, deed onder zijn pseudoniem Homme Eerntsma in 1998 deed een opmerkelijk boekje open over deze en voorgaande frustrerende jaren getiteld: ‘Roman Hagois’.

Oorlogsdreiging

Gen.Maj.J.W. van Oorschot

Na 1934 kwam de GSIII-A onder bevel te staan van majoor Jacobus George Marie van de Plassche en kapitein C.M. Olifiers. GSIII-B onder bevelvoering van generaal-majoor J.W. van Oorschot (foto). Van Oorschot, die met een Engelse getrouwd was, was daarnaast ook in dienst van MI6 waar hij als agent 969 bekend stond. Terwijl het wapengekletter van de voorgaande oorlog nog maar nauwelijks bestorven was richtte men zich vol overgave op de komende oorlog. Doelbewust werd achter de schermen van met name geallieerde kringen binnen de politiek, het bankwezen en het leger nieuw bloedvergieten voorbereid. Anders dan de voor Duitsland zo vernederende voorwaarden van Versailles (zoals algemeen wordt aangenomen dé belangrijkste oorlogsoorzaak) was met name het onvolledig gerealiseerde laatste punt van het Amerikaanse ‘Veertien puntenplan voor een democratische wereldrevolutie’ de bepalende factor in route naar WOII. De vorming van de ‘Volkenbond’, een supermachtig en wereldomspannend instituut, “to make the world safe for democracy”, was het meest belangrijke oorlogsdoel dat toentertijd niet maximaal gerealiseerd was.

De kaarten moesten opnieuw geschud en gedeeld. Machtige wereldwijd opererende socio-politieke groeperingen met elkaar deels overlappende, soms ook conflicterende, belangen speelden hierbij op de achtergrond een allesbepalende rol. Het voor Europa en de wereld zo dodelijke oorlogsscenario ontrolde zich steeds verder en met toenemende snelheid. Het hart moest uit de borst van het rivaliserende middenrijk gereten worden. De rol van vazalstaat Nederland en haar marionettenregering werd bepaald, om het lot van de Nederlandse en Europese burgers bekommerde men zich het minst. Nederland en België zouden geallieerd operatiegebied worden en als springplank dienen naar het economische Duitse hart, het Ruhrgebied. Opnieuw speelden de Engelse en Nederlandse geheime diensten hun cruciale rol. Op 6 maart 1936 wisselden de Belgische minister van Buitenlandse Zaken en de toenmalige Franse gezant in Brussel nota’s met als belangrijkste onderdeel het opnieuw benadrukken van de waarde en geldigheid van het oude Frans-Belgische militaire pact. Het contact tussen de gemeenschappelijke generale staven moest gehandhaafd blijven. Op 12 maart 1938, de dag waarop de Duitse legers de grenzen van Oostenrijk overtrokken, de dag van de ‘Anschluss’, was eveneens de dag dat generaal-majoor W.J. van Oorschot voor bewezen (en nog te bewijzen?) diensten een hoge Engelse militaire onderscheiding ten deel viel, hij werd benoemd tot ‘Commander (honorary) of the Civil Division of the Order of the British Empire’. Halverwege 1938 vertrokken vanuit Nederland met ijzeren regelmaat grote partijen goud dat door de Nederlandse Bank naar veiliger oorden overzee getransporteerd werd. Het was het resultaat van een al in de herfst van 1937 ingezette koers om het overgrote deel van de Nederlandse goudreserves buiten de landsgrenzen te brengen.

Het Nederlandsche Leger waakt!

Het oorlogscenario was in volle gang. Op 9 november 1938 vlogen in Duitsland ‘s nachts de scherven in het rond. Onder de later bekend geworden benaming van ‘Kristallnacht’ werden 267 synagogen beschadigd of verwoest en vielen de levens van 100 Duits-Joodse burgers te betreuren. Niet lang daarna marcheerden Duitse laarzen in Tsjechië en Litouwen en ook in Nederland hield men rekening met verstoring van de vrede. Op donderdag 24 augustus 1939 werd in Nederland begonnen met de voormobilisatie met als resultaat dat op dinsdag 29 augustus 1939 zich zo’n 200.000 mannen meldden om Vorst, Volk en Vaderland te beschermen tegen naderend onheil. Enkele dagen later, op vrijdag 1 september 1939 trokken Duitse troepen de Poolse grens over en betraden daarmee voormalig Duits grondgebied. Twee dagen later, op zondag 3 september 1939 verklaarden Engeland en Frankrijk aan Duitsland de oorlog. Nederland haastte zich om diezelfde dag met een neutraliteitsverklaring naar buiten te komen. Achter de schermen verleende het echter onverminderd operationele steun aan Engeland en de militaire plannen van haar bondgenoten. Ondanks de op schrift beleden neutraliteit waren op dat moment op zowel Zeeuws-Vlaamse als op Belgische bodem Franse troepen gelegerd en ontplooiden de Engelsen allerlei semimilitaire activiteiten op Belgisch grondgebied. Nederland en België waren in de geallieerde planning voorbestemd als springplank in tegen Duitsland opgezette militaire operaties.

Geheime Operaties

Ook tussen de MI6 (de in Den Haag gevestigde Passport Control Office in persoon van Majoor Richard Henry Stevens), haar onderafdeling de Z-organisation, (c.q. luitenant-kolonel Claude Dansey en kapitein Sigismund Payne Best) en GSIII(-B) (generaal-majoor J.W. van Oorschot) werd koortsachtig samengewerkt. Vanuit het pand aan de Nieuwe Parklaan 57 in Den Haag – het hoofdkwartier van MI6 – werden alle operaties vanaf Nederlands grondgebied aangestuurd. Eén van de opgezette operaties waarbij MI6, Z-organisation en GSIII(-B) zeer nauw samenwerkten (en waarbij ook aan François Van ’t Sant én de Duitse geheimagent Wilhelm Mörz een rol toegedicht werd) zou later de geschiedenisboeken ingaan als het zg. ‘Venlo-incident’ waarvan de ontknoping plaatsvond in november 1939. Aan de basis van deze specifieke operatie lagen de contacten met tegenstanders van het in 1933 aan de macht gekomen Hitler-regime, zoals kolonel Hans Oster van de Duitse contraspionage, generaal Franz Halder e.a. Spil in deze operatie was de in 1935 naar Frankrijk uitgeweken en sinds 1938 in Nederland woonachtige dr. Franz Fischer. In werkelijkheid was Fischer sinds 1937 een dubbelspion die als agent F479 werkzaam was voor de Deutsche Sicherheitsdienst (SD). Fischer had MI6 in de loop van de jaren al verschillende malen betrouwbare informatie verschaft. Zo informeerde hij hen vooraf over de Duitse inlijving van Sudetenland en eind augustus 1939, enkele dagen voortijd, voor de op handen zijnde Duitse inval in Polen. Met het uitbreken van de oorlog in zicht kreeg Fischer op 30 augustus 1939 vanuit Londen van MI6 telefonisch bericht dat vanuit Nederland verder contact met hem zou worden opgenomen. Claude Dansey instrueerde Payne Best overeenkomstig en belastte hem met de opdracht via Fischer de contacten te intensiveren met de Duitse opposanten. Op 1 september 1939 werd tussen Payne Best en Fischer het eerste contact gelegd. Na een eerste kennismaking op het kantoor van Pharmisan werd voor begin september 1939 een eerste ontmoeting geregeld met de Duitse regimetegenstanders in hotel Wilhelmina in Dinxpeloo. De hele operatie was opgezet met als doel de oppositie te steunen bij hun coupplannen en moordaanslag op kanselier Hitler.

Café Backus

Drie personen werden met deze operatie belast, te weten kapitein Sigismund Payne Best (Z- organisation) majoor Richard Henry Stevens (MI6) en de Nederlandse luitenant Dirk Klop (GSIII-B). Dat de keuze op Klop viel was niet toevallig. Deze officier van de Generale Staf had jaren in Canada gewoond waardoor hij vloeiend Engels sprak en hij zich moeiteloos kon uitgeven als de Engelse luitenant Coppens. De op kanselier Hitler beraamde aanslag was door de regimetegenstanders bepaald op zaterdag 11 september 1939. Erich Kordt, de diplomaat die de aanslag zou uitvoeren, kreeg op de 11e september echter van kolonel Hans Oster te horen dat hij de explosieven niet geleverd kon krijgen. De plannen liepen so wie so totaal anders dan gepland. De Duitse Sicherheits Dienst (SD) was achter de plannen gekomen en had de MI6-operatie ‘omgedraaid’. Het agententrio van de MI6/Z-organisation/GSIII-B had op donderdagmiddag 9 november 1939 geen ontmoeting gepland met regimetegenstanders maar liep regelrecht in een door de SD opgezette valstrik. De dag ervoor, op woensdag 8 november, waarschuwde majoor G.J. (Bert) Sas in Den Haag dat de Duitse aanval op zondag 12 november 1939 plaats zou vinden. Diezelfde woensdagavond pleegde Georg Elser in München een mislukte aanslag op kanselier Hitler, een onverwachte actie die voor enige verwarring zorgde. Desondanks werd de operatie toch doorgezet. Kringen binnen het Nederlandse leger probeerden het agententrio op het laatste moment nog te dwarsbomen door te bevelen hun auto bij de op één-na laatste grenscontrolepost te laten stoppen. Zonder succes.

Het agententrio arriveerde bij Café Backus in Herongerberg/Venlo en werd tijdens een korte schermutseling door een Duits commando overmeesterd. Payne Best en Stevens werden gevangen genomen, Dirk Klop raakte bij de actie zwaargewond en stierf niet veel later aan zijn verwondingen. Naar de buitenwereld toe trachtte de Nederlandse overheid de actie zoveel mogelijk buiten de publiciteit te houden. Pas nadat de Duitse pers melding maakte van de gevangenneming van drie Engelse geheimagenten reageerde ze nogal lauw en nietszeggend. Ze besloot aan de Duitse regering opheldering te vragen over dat incident bij Venlo waarbij ‘drie burgers’ betrokken geraakt waren. In werkelijkheid zat men behoorlijk met de mislukte actie in de maag. Ontkennen dat Nederland met Engeland collaboreerde was een onmogelijke route, het overduidelijke bewijs daarvan lag in Duitse hand. De consequenties daarvan waren duidelijk. Nederland zou zich niet (meer) kunnen beroepen op haar zogenaamde neutraliteit, haar op 3 september 1939 gegeven neutraliteitsverklaring had geen enkele waarde bezeten en moest ze zich voorbereiden op ‘Poolse toestanden’.. de Duitse laars zou op Nederlands grondgebied marcheren! Het hoofd van GSIII-B, Generaal-majoor Johan Willem van Oorschot, moest na het debacle het veld ruimen. Diezelfde maand werd hij met vervroegd pensioen gezonden om in december 1939 opgevolgd te worden door generaal-majoor Anton Cornelis Fabius, de grondlegger van GSIII.

Voorbereiding van de Koninklijke vlucht

Vanaf donderdag 9 november 1939 wist de Nederlandse overheid dat Duitsland haar niet (meer) als neutrale partij kon beschouwen. Als gevolg van geallieerde collaboratie zou Nederlands grondgebied naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot oorlogsterrein gaan behoren! Tót 14 oktober 1939 had Nederland géén onderdeel uitgemaakt van de Duitse oorlogsplannen, iets dat bevestigd werd door de Nederlandse militair attaché in Berlijn, majoor G.J. Sas. Pas nadat het Duitsland duidelijk werd dat tussen Nederland en Engeland militaire onderhandelingen gevoerd werden en de geheime diensten complotteerden met regimetegenstanders en een geplande staatsgreep en aanslag steunden veranderde deze zienswijze. Op 20 oktober 1939 meldde majoor G.J. Sas in Den Haag dat Nederland nu mogelijk onderdeel uit zou gaan maken van de Duitse oorlogsplannen. Deze zienswijze werd na de oorlog bevestigd door verklaringen van de Duitse veldmaarschalk Hermann Göring tijdens de verhoren voor het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. In het begin had men nog gehoopt dat Nederland neutraal zou kunnen blijven maar nadat bekend werd dat tussen Nederland en Engeland onderhandelingen gaande waren, was de kans daarop kleiner geworden. Na het ‘Venlo-incident’ werd duidelijk dat Nederland zijn neutraliteit niet zou handhaven, zeker niet onder druk van de geallieerden. Omdat de neutraliteit niet onder alle omstandigheden gewaarborgd was, zou de Duitse westflank ongedekt zijn en daarmee in gevaar. De Duitse militaire leiding besloot daarop uit puur militair oogpunt te kiezen voor een andere strategie waarvan Nederland deel uit ging maken.

Binnen regeringskringen telde men zijn knopen en bereidde men de (vlucht)plannen voor, men hield er sterk rekening mee dat een Duitse inval elk moment op handen was. Op vrijdag 10 november 1939 werd Neville Bland, de Engelse ambassadeur in Den Haag, door minister van Buitenlandse Zaken Eelco Nicolaas van Kleffens verzocht om met spoed bij zijn regering te informeren of het Oranje koningshuis, de in Nederland woonachtige voormalige Duitse keizer Wilhelm II én de Nederlandse regering bij een ‘eventuele Duitse inval’ in Engeland onderdak konden krijgen. Op zaterdag 11 november 1939 telegrafeerde Neville Bland het verzoek door naar zijn regering waarin hij vermeldde dat het feitelijke verzoek nog niet gedaan was maar hij wel onmiddellijk antwoord wilde ontvangen voor het geval dát. De voorspelde Duitse inval liet op zich wachten, het Ober Kommando der Wehrmacht (OKW) had ze voorlopig drie dagen opgeschoven. Op maandag 13 november 1939 kwam het Engelse oorlogskabinet bij elkaar om over het verzoek te vergaderen. Het verzoek werd goedgekeurd en de Engelse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken kreeg opdracht Neville Bland te antwoorden dat zodra hij een officieel verzoek ontving hij gemachtigd was om aan koningin Wilhelmina, haar familie en de Nederlandse regering asiel te verlenen. Wat betreft de Duitse ex-Keizer Wilhelm II, hem zag men liever als asielzoeker in Zweden. Voor het geval dat dát niet mocht lukken was men bereid ook hem en de leden van zijn familie in Engeland te ontvangen.

Vanaf vrijdag 10 november 1939 werden verschillende vluchtroutes uitgestippeld waarlangs het Oranje koningshuis Nederland kon ontvluchten. In de opvolgende maanden werd door verschillende instanties de vlucht verder voorbereid. De Duitse inval werd om diverse redenen telkens vooruitgeschoven, van de 12e naar de 19e naar de 22e en naar de 26e november. Het OKW stelde zijn plannen steeds opnieuw bij wat het Oranje koningshuis royaal de gelegenheid gaf haar vlucht nog beter voor te bereiden. December 1939 verliep zonder dat op de 3e, 10e, 11e of 17e de grens geschonden werd. Januari 1940 leek de storm dan toch los te barsten maar, ook dat keer bleven de Duitse troepen op de 1e, 14e en 17e aan eigen zijde van de grens. Maandag 18 maart 1940 was de opvolgende datum waarop rekening gehouden werd met een inval, maar opnieuw werd deze verschoven, dat keer naar vrijdag 22 maart 1940. Op 24 maart 1940 schreef de opperbevelhebber van het Nederlandse leger, generaal Winkelman, een memorandum waarin de samenwerking tussen de Nederlandse, Belgische, Engelse en Franse legers besproken werd. Begin april 1940 kwam majoor G.J. Sas opnieuw met alarmerende berichten over een op handen zijnde inval, dat keer zou het mogelijk zaterdag 13 of zondag 14 april 1940 kunnen zijn. Noorwegen en Denemarken werden op dinsdag 9 april 1940 onder de Duitse voet gelopen. Het voorstel om onder dwang vrije doortocht te verlenen en als Duits protectoraat van verdere oorlogshandelingen bespaard te blijven werd door de 69-jarige Deense koning Christiaan afgewezen. Terwijl Duitse eenheden de Deense grens overstaken bleef de koning manmoedig op zijn post en paradeerde te paard door de straat ten teken aan het Deense volk dat hij niet op de vlucht geslagen was.

In verband met alle ontwikkelingen pleegde minister Van Kleffens op vrijdag 12 april 1940 opnieuw en intensief overleg met Neville Bland, de Engelse ambassadeur. De vlucht van het Oranje koningshuis en de veiligheid van koningin Wilhelmina waren onderwerp van het onderhoud. Diezelfde 12e april 1940 stond in de Engelse Daily Mail een interview afgedrukt dat het blad gehouden had met de invloedrijke Engelse regeringsadviseur Duff Cooper. Daarin vertelde Cooper het volgende: “Men moet geen vragen stellen over wat deze kleine landen willen of niet. Zij moeten beseffen dat hun vrijheid en onafhankelijkheid op het spel staan en de rol die zij hebben te spelen bij de vernietiging van de Duitse plaag. Als een van hen aarzelt, moeten we zodanig ingrijpen dat die aarzeling wordt overwonnen”.  Een goed verstaander had aan deze woorden aangaande de Engelse gedachtegang meer dan voldoende betreffende de Nederlandse neutraliteit. Op zaterdag 13 april 1940 deponeerde het aan de Alexanderstraat 3 in Den Haag gevestigde bankiershuis Furné & Co het effectenbezit van koningin Wilhelmina bij de Midland Bank in Londen. De aandelen en obligaties stonden geregistreerd onder het vaker gebruikte pseudoniem ‘Van Buuren’. De bankier van Furné & Co liet de directie van de Midland Bank dezelfde dag weten “dat zijn cliënte mogelijk op korte termijn al over het effectenbezit zou willen beschikken”.

De situatie in Europa werd steeds grimmiger, eind april stonden aan de Frans-Belgische grens tien Engelse divisies paraat. De telkens uitgestelde Duitse inval zorgde voor grote onzekerheid. Nieuwe mogelijke invasiedata zoals 21, 22 en 24 april 1940 verliepen zonder dat er daadwerkelijk wat gebeurde terwijl de spanning toenam. Het moment van de vlucht kon elk moment aanbreken. Wilhelmina liet Mr. F. Beelaerts van Blokland, de vice-voorzitter van de Raad van State, weten dat “wanneer de omstandigheden zo zouden worden, dat zij weg moest gaan” het haar wens was dat hij haar vergezelde. Mei 1940 was aangebroken. De Duitse inval was nu aanstaande, daarover was men het nu wel eens, alleen de juiste datum was nog onbekend. Woensdag 1 mei 1940 ging voorbij zonder actie. Zondag 5 mei 1940 stond als mogelijke invasiedag te boek en prins Bernhard von Lippe-Biesterveld, de echtgenoot van prinses Juliana, verkende samen met een ondergeschikte persoonlijk alle uitgewerkte vluchtroutes en mogelijke wijkplaatsen. Op maandag 6 en dinsdag 7 mei 1940 was de Duitse geheime dienst door het decoderen van berichten tussen Londen en Parijs van mening dat er ieder ogenblik via Nederland en België een geallieerde aanval op het Duitse Roergebied te verwachten was. Maar… nóg bleven de wapens rusten, evenals de opvolgende dagen.

Op woensdag 8 mei 1940 kopte het dagblad de Telegraaf op de voorpagina “Het Huis van Oranje verlaat zijn post nooit”.  Alle signalen wezen erop dat donderdag 9 mei 1940 dé dag van de inval zou zijn. Het Nieuws van de Dag liet onder dezelfde kop als de Telegraaf op donderdag 9 mei 1940 prinses Juliana aan het woord. Zij vertelde dat vijf eeuwen lang het Huis van Oranje voor geen enkel gevaar op de vlucht geslagen was [….] “Onze plaats is hier in Nederland, of er gevaar dreigt of niet. Wij zullen nooit onze post verlaten”. Diezelfde donderdagavond 9 mei 1940 telefoneerde majoor G.J. Sas om 22.35 uur zijn laatste waarschuwing door naar marineluitenant J.E.A. Post Uiterweer “Morgenvroeg, bij het aanbreken van de dag!”

(On)waarheden

Zeven uur later, op vrijdagochtend 10 mei 1940 werd Jhr. Mr. H.M. van Haersma de With, de Nederlandse gezant in Berlijn, uit zijn bed gebeld en ontboden bij Joachim von Ribbentrop, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken. Von Ribbentrop bracht hem ervan op de hoogte dat Duitse troepen Nederland binnen zouden trekken en overhandigde hem twee rapporten met daarin een overzicht van door Nederland genomen militaire maatregelen ter voorbereiding van een tegen Duitsland gerichte geallieerde aanval. De Duitse gezant in Den Haag, Dr. Julius Graf von Zech-Burkersroda, zou nadere informatie verschaffen. Von Zech-Burkersroda was door Von Ribbentrop telegrafisch opgedragen de Nederlandse regering – gelijk aan Denemarken de maand ervoor – onder dwang en tegen vrije doortocht een protectoraatschap aan te bieden. De betreffende telegraminstructie van Von Ribbentrop aan Von Zech-Burkersroda luidde als volgt: 

 “Mededeling doen van inzetten van geweldige Duitse troepenmacht.

Elk verzet volledig zinloos

Duitsland garandeert Europese en buiten-Europese bezittingen en de dynastie, indien elk verzet achterwege blijft. Anders gevaar van volledige vernietiging van het land en het staatsbestel

Daarom dringend eisen oproep volk en strijdkrachten en eisen opnemen contact met Duitse militaire commandanten.

Motivering: wij hebben onweerlegbare bewijzen van een onmiddellijk dreigende inval van Frankrijk en Engeland in België, Nederland, Luxemburg, die met medeweten van Nederland en België sinds lang is voorbereid. Doel: oprukken naar Roergebied.”

’s Ochtends om 06.00 uur bracht Von Zech-Burkersroda minister Van Kleffens op de hoogte van zijn instructies. Namens de Nederlandse regering verwierp hij dit voorstel en reageerde als volgt:

“Met verontwaardiging wijst Harer Majesteits Regering de aantijging der Duitse Regering van de hand, dat zij, op enige wijze, of met enige mogendheid, geheime en tegen Duitsland gerichte afspraken heeft gemaakt. Gezien de ongehoorde Duitse aanval op Nederland, een aanval begonnen zonder enige voorafgaande waarschuwing, is de Nederlandse Regering van oordeel, dat thans een staat van oorlog is ontstaan tussen het Koninkrijk en Duitsland.

Met die reactie verklaarde Nederland zich officieel in staat van oorlog met buurland Duitsland. Om 08.00 uur die ochtend las de nieuwslezer van het ANP het door Wilhelmina goedgekeurde persbericht voor:

“Mijn volk! Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid al deze maanden een stipte neutraliteit had in acht genomen en terwijl het geen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden is in de afgelopen nacht door de Duitse weermacht zonder de minste waarschuwing een plotselinge aanval op ons gebied gedaan. Dit, niettegenstaande de plechtige toezegging, dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien, zo lang wij haar zelf handhaafden. Ik richt hierbij een vlammend protest tegen deze voorbeeldloze schending van de goede trouw en aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is.

Ik en mijn Regering zullen thans onze plicht doen.

Doet gij de uwe, overal en in alle omstandigheden, ieder op de plaats waarop hij is gesteld, met de uiterste waakzaamheid en met de innerlijke rust en overgave, waartoe een rein geweten in staat stelt.”

Op 10 mei 1940 vonden overal gevechten plaats. Het Nederlandse leger vocht van Noord tot Zuid een hevige maar ongelijke strijd, van Delfzijl tot aan Venlo woedden de gevechten. Pantsertreinen werden opgeblazen, vliegtuigen neergeschoten, bruggen vernield. Minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens en minister van Koloniën Charles Joseph Ignace Marie Welter (de laatste samen met zijn vrouw) vertrokken die ochtend met een watervliegtuig vanaf het strand van Scheveningen naar Engeland om de koninklijke vlucht in gang te zetten. ’s Middags overlegde Van Kleffens met Lord Halifax en besprak met hem de “onbeperkte gastvrijheid voor de Nederlandse regering in Londen.”

 

Inpakken en wegwezen, ‘eigen (Oranje)Volk eerst’

Op zaterdag 11 mei 1940, terwijl de gevechten in volle hevigheid woedden, raakten de voorbereidingen voor de koninklijke vlucht in een stroomversnelling. François van ’t Sant nam zijn intrek binnen de poorten van Paleis Noordeinde om de vlucht te coördineren en om ‘stand by’ te staan. De Engelse regering besloot het 2e bataljon Irish Guards en een geweercompagnie van de Welsh Guards (samen ongeveer 700 soldaten) aan te wijzen voor een militaire operatie in Nederland. Na hevige gevechten namen de Duitse invallers de voorpostenlijn van de Grebbelinie in en maakten zich op de volgende dag verder op te rukken. Terwijl op zondag 12 mei 1940 een kogelvrije wagen van de Nederlandse Bank prinses Juliana, prins Bernard en haar twee kinderen Beatrix en Irene naar de haven van IJmuiden bracht woedden aan de Grebbelinie hevige gevechten. De drie uur durende vluchtroute naar IJmuiden liep achter de binnenzijde van de Hollandse duinen en langs smalle weggetjes in de Bollenstreek, geëscorteerd door een vrachtwagen met mariniers. De koninklijke vluchters zaten boven op de met stro verzachte harde banken terwijl de juwelen van Juliana in een doos op schoot van de bijrijder voorin de cabine meereisden. De verdedigers van de Grebbelinie dolven het onderspit, de aanvallers wisten de frontlijn te doorbreken.

In de nacht van zondag 12 en maandag 13 mei 1940 vertrokken Juliana, Bernhard, Beatrix en Irene aan boord van de Engelse torpedojager ‘H.M.S. Codrington’ naar Engeland. Onder commando van Captain Creasy arriveerden ze in de vroege ochtend van 13 mei 1940 in de haven van Harwich. Onder bescherming van luchtdekking en marinesteun arriveerden in dezelfde vroege ochtenduren de toegezegde Engelse troepen met twee veerboten in Hoek van Holland, de ‘Cantebury’ en ‘Maid of Orleans’. Ze meerden af aan de Harwichkade, ontscheepten zich, namen posities in maar …. niet aan het front aan de Grebbelinie. Onder commando van luitenant-kolonel J.C. Haydon werd ‘Operation Harpoon Force’ gestart met als doel Wilhelmina, haar kabinet en de Engelse diplomaten naar Engeland over te brengen. Het was overigens een komen en gaan van Engelse marineschepen en eenheden. Er waren nogal wat zaken die men nog snel in veiligheid wilde brengen, zoals een voorraad Nederlands goud ter waarde van 22 miljoen gulden dat nog in de kluizen lag van de Rotterdamse Bank aan de Boompjes in Rotterdam.

Maandagochtendvroeg 13 mei 1940 werd Mr. F. Beelaerts van Blokland op de hoogte gesteld van de vlucht van Wilhelmina. Hij belde daarop met zijn vrouw om haar alvast voor te bereiden op de vlucht “Het is niet onmogelijk dat wij naar Engeland zullen gaan.”  Nadat er zekerheid was dat Juliana, Bernard en de prinsessen in veiligheid waren en de Engelsen de haven van Hoek van Holland veilig gesteld en onder controle hadden vertrokken François van ’t Sant en zijn beschermvrouwe Wilhelmina Wilhelmina tegen 10 uur die ochtend om zich bij aankomst in Hoek van Holland in te schepen op de klaarliggende Engelse oorlogsbodem. Maandagmiddag rond 12 uur vluchtte Wilhelmina met haar gevolg op de Engelse torpedojager ‘H.M.S. Hereward’ onder bevel van Luitenant-commandant C.W.Greenig naar Engeland. Zo tegen 17.00 uur die middag zette de asielkoningin voet aan wal in Harwich waar een speciale trein haar opwachtte en onder zware militaire bewaking naar Londen bracht, een treinreis die door Van Kleffens enkele dagen tevoren in Engeland grondig was voorbereid.

Nadat duidelijk was dat de vlucht van Wilhelmina en haar gezin gelukt was bereidde ook het Nederlandse kabinet onder aanvoering van premier Dirk Jan de Geer zich op om op haar beurt de benen te nemen. Om 19.20 uur scheepte zich – op een enkeling na – het voltallige kabinet in op torpedobootjager ‘H.M.S. Windsor’, samen met Jhr. Mr. Hendrik F.L.K. van Vredenburch, beleidsambtenaar van Buitenlandse Zaken en marineluitenant J.E.A. Post Uiterweer. Beiden hadden strikte opdracht de twee koffers die Wilhelmina had laten pakken en die op het achterdek van de ‘Windsor’ neergezet waren geen ogenblik uit het oog te verliezen. Naast een onbekend gebleven deel van het ‘Oranjevermogen’ (waarvan overigens ruim een miljoen ondertussen veilig belegd was in de Verenigde Staten) bevatten de koffers voor drie miljoen guldens aan effecten én het uiterst brandbare ‘Van ’t Sant’ dossier dat op 7 mei 1940 al uit het kabinet opgehaald en vluchtgereed klaargelegd was. (Dit dossier verdween naar Engeland om nooit meer boven water te komen en volgens ingewijden schijnt het nagenoeg in zijn geheel verbrand te zijn). Van Vredenburch schreef later in zijn memoires: “En dus hebben wij er de nacht op doorgebracht, wat de volgende ochtend, bij het krieken van de dag, aan Post de kreet ontlokte: “Ik wist niet dat geld zo verdomd hard kon zijn!”” De koffers arriveerden volgens plan in Londen.

Diezelfde maandagmiddag, 13 mei 1940, werd de Grebbelinie onder de voet gelopen. Niet alleen de ‘stoplijn’ maar ook de ‘ruglijn’ viel in Duitse handen. Het Nederlandse veldleger trok zich in paniek terug op de stellingen van het oostfront van Vesting Holland en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Rotterdam lag zwaar onder vuur, de Duitse opmars dreigde gestuit te worden. Generaal Georg von Küchler, bevelhebber van het 18e leger, beviel die avond “Weerstand in Rotterdam met alle middelen breken, desnoods moet vernietiging van de stad aangekondigd en uitgevoerd worden”. Duitse eskaders werden in gereedheid gebracht om de volgende dag vanuit de lucht het verzet te breken. In de vroege ochtend van dinsdag 14 mei 1940 werd ‘Operation Harpoon Force’ afgesloten. Met achterlating van wapens, munitie, uitrustingsstukken en 11 doden verlieten het 2e Bataljon Irish Guards en de Welsh Guards Hoek van Holland. Terwijl Wilhelmina en medevluchters veilig in Engeland aangekomen waren pakten zich boven Rotterdam en haar bewoners donkere wolken samen. Iets over half 11 op die dinsdag stak een Duitse onderhandelingsdelegatie, zwaaiend met een witte vlag, de Maasbrug over om overgave te eisen en zo verder bloedvergieten te voorkomen. De Nederlandse commandant koppelde besluiteloos terug naar bevelhebber generaal Winkelman die onvoorbereid en on-ingelicht de situatie door tijd te rekken probeerde te meesteren. Het bleek een verkeerde gok. Die middag viel in Rotterdam de dood uit de lucht. Ruim 900 mensen kwamen om door de bommenregen die op hen neerdaalde terwijl daarnaast ruim 25.000 woningen, 2.500 winkels, 1.350 fabrieken en  250 hotels vernietigd werden.

Nauwelijks in Engeland toog Wilhelmina druk aan de slag om haar eigen belangen optimaal veilig te stellen. In een brief aan de Franse president liet ze doorschemeren met de gedachte te spelen met Duitsland te onderhandelen. De zeer ontstemde en verraste Fransen gaven daarop hun ambassadeur de opdracht de Engelse bondgenoot daarover in te lichten wat deze op dinsdag 14 mei 1940 ook daadwerkelijk deed door contact op te nemen met de Engelse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

Wilhelmina’s excuus was dat niet zij maar de meegevluchte minister De Geer het op een akkoordje wilde gooien met Duitsland, dit ondanks het onweerlegbare nóch tegengesproken bewijs dat ZIJZELF de brieven met betreffende inhoud geschreven had! Een absoluut ongeloofwaardig en nauwelijks serieus te nemen excuus. De karakterzwakke meegevluchte parlementariërs hadden alleen al door hun gedrag laten zien totaal niet over een eigen wil te beschikken. Zij volgden slaafs en onderdanig de orders op van de Vluchtende Moeder des Vaderlands, Jonkheer De Geer voorop! Hij zou na de Oranje vlucht-klucht als ‘kop van jut’ worden ingezet.

Over Jonkheer Dirk-Jan De Geer en de rol die hij in het hele verhaal mocht spelen onder nauwlettend wakend oog van de Vluchtende Moeder des Vaderlands zal in de toekomst vast het een en ander boven water komen. Zaken die inzicht en duidelijkheid zullen geven.

Duidelijkheid over zijn eigenmachtige optreden voor de ‘Londense radio’ op 20 mei 1940 waarin hij de Nederlanders opriep om uit eigenbelang te collaboreren met de bezetters en zich kalm en ordentelijk te gedragen.

Duidelijkheid ook omtrent zijn diverse pogingen om de ministerraad over te halen op de één of andere manier contact op te nemen met de Duitse bezetters.

Duidelijkheid omtrent zijn radioboodschap die niets anders was dan onverholen bereidheid tot onderhandelen:

Naar aanleiding van het beroep, door de Führer van het Duitse Rijk in zijn Rijksdagrede van 19 juli jl. gedaan op redelijk en gezond verstand ter beëindiging van de oorlog, verzoekt de Nederlandse Regering te mogen vernemen, op welke grondslag (met name wat de positie van Nederland betreft) de Führer zich voorstelt, dat op dit ogenblik vruchtbare besprekingen ter bevordering van de vrede zouden kunnen worden geopend.”

Duidelijkheid omtrent het op 23 augustus 1940 door Wilhelmina aan hem verleende eervol ontslag en voor zijn verdiensten decoreerde met het Grootkruis van Oranje Nassau.

Duidelijkheid over zijn speciale missie naar Indië op 5 november 1940 maar via Lissabon in Berlijn terechtkwam.

Duidelijkheid over de voorstellen die hij met de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop besprak.

Duidelijkheid over het (mogelijke?) falen en de daardoor opgetreden breuk die hem na de oorlog tot persona non grata maakte.

Misschien dat zijn weerstand tegen voorgestelde maatregelen in verband met Nederlandse deviezen ergens iets te maken hebben in dit alles??

{ Kleinzoon Ursul de Geer geeft zijn mening over het doen en laten van zijn opa: De Wereld Draait Door }

Hoe dan ook… op woensdag 15 mei 1940, terwijl in Zeeland de gevechten nog doorgingen gaf Nederland de pijp aan maarten. Opperbevelhebber Winkelman tekende in Rijsoord de capitulatie en stelde het Nederlandse Volk op de hoogte van de zetelverplaatsing.

Niet zonder reden voelden de Nederlanders zich verraden en in de steek gelaten.

Oud-premier Colijn schreef hierover in het antirevolutionaire dagblad De Standaard het volgende:

 “Bij dit alles kwam nu de smadelijke vlucht van de Regering, Terwijl onze mannen bij honderden en duizenden werden neergeworpen, zochten de ministers de veiligheid […]. We zullen nu maar niet meer gewagen van de ongrondwettige daad om den zetel buiten het Rijk te vestigen, hoewel er gelegenheid bestond om hem te verplaatsen naar veiliger gebied. Omtrent dit alles zullen t.z.t. de verantwoordelijkheden vastgesteld moeten worden. Maar voorlopig blijven we zitten met een in het buitenland gevestigd Kabinet, dat – zo we ons niet sterk vergissen – het vertrouwen van 95 procent van het volk mist.”

De ongrondwettelijke Oranjevlucht

De vlucht van Oranje koningshuis en de Nederlandse regering én de verplaatsing van de regeringsmacht buiten het Rijk was ontegenzeggelijk ongrondwettelijk! Per saldo had koningin Wilhelmina daarmee afstand gedaan van de troon en was de gevluchte regering verworden tot een groep rebellerende, zichzelf moedwillig buiten de wet geplaatste ´volks´vertegenwoordigers.

De in 1815 opgestelde Nederlandse grondwet was hier overduidelijk in. In artikel 29 stond zwart op wit vastgelegd: “De Koning der Nederlanden kan geen vreemde kroon dragen. In geen geval kan de zetel van de regering buiten het rijk worden geplaatst.” Artikel 29 werd in 1848 aangepast en vernummerd tot artikel 26. In de Nederlandsche Staats-Courant van zondag 16 en maandag 17 april 1848, no. 92 was deze wijziging opgenomen: Artikel 26: “De Koning van Nederland kan geen vreemde kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg. In geen geval kan de zetel der regering buiten het rijk worden verplaatst.” In 1917 werd het betreffende artikel opnieuw vernummerd en als artikel 21 te worden opgenomen in de  Nederlandse Grondwet. Tijdens de grondwetsherziening van 1922 werd ter discussie gesteld of het al dan niet wenselijk was om een mogelijkheid tot verplaatsing van de regeringszetel buiten het rijk in tijden van nood in de grondwet op te nemen. De toenmalige regering vond het echter niet nodig om artikel 21 aan te passen. In 1928 liet professor A.A.H. Struycken – buitengewoon hoogleraar algemene staatsleer aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam én Lid van de Raad van State – zich hierover in ‘Het Staatsrecht van het Koninkrijk der Nederlanden’  (pagina 351, 2e druk) als volgt over uit:

Zetelverplaatsing door de Regering.

“De strekking der bepaling is niet, de koning te verbieden tijdelijk het land te verlaten, noch zelfs in den vreemde regeringsstukken te ondertekenen, maar om te verhinderen, dat hij de regeringsorganen, welker medewerking hij ter vervulling zijner taak behoeft, tijdelijk of voorgoed naar het buitenland verplaatst; in onze tijd zal daarbij te denken zijn aan het Kabinet der Koningin, de Departementen van Algemeen Bestuur en de Raad van State, waarvan de plaats van vestiging aan de Koning ter bepaling is overgelaten. De opzet in 1815 was ongetwijfeld ook, te verhinderen, dat de Staten-Generaal ooit in een vreemd land zouden kunnen vergaderen.”

In 1940, ten tijde van de vlucht, luidde artikel 21 van de Nederlandse Grondwet, 2e lid onveranderd:

 “In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden geplaatst”.

Het Maandblad voor Economie en Staatkunde van 15 mei 1941 schreef een jaar na de vlucht het volgende:

“De veertiende mei is het een jaar geleden, dat de Nederlandse regering het grondgebied van Nederland verliet en dat de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, de generaal Winkelman, zich opwierp als hoogste civiele gezagsdrager hier te lande. Wij veroorloven ons in het kort de gebeurtenissen na te gaan. Toen op de veertiende mei 1940 de regering naar Engeland vluchtte, had dit, daar artikel 21, 2 van de Grondwet uitdrukkelijk bepaalt: “In geen geval kan de zetel der Regering buiten het Rijk worden verplaatst”. En artikel 2, 2 aldus luidt: “Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld”, tot gevolg, dat zij als zodanig ophield te bestaan. Dezelfde dag werd in de dagbladen een proclamatie van de Koningin afgedrukt waarin ondermeer het volgende voorkwam:

“… de zetel der Regering te verplaatsen naar het buitenland voor zolang als onvermijdelijk, en met de bedoeling Ons terstond weer in Nederland te vestigen zodra zulks maar enigszins kan.” – “… De militaire overheid, en in hoogste ressort de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht beoordeelt thans welke maatregelen in militair opzicht nodig en verantwoordt zijn.”

De aandacht zij er op gevestigd, dat deze proclamatie niet in het Staatsblad is gepubliceerd, hoewel art. 2 van het Besluit van de Soevereinen Vorst van 18 December 1813 bepaalt:

“In het Staatsblad zullen geplaatst worden alle wetten, proclamaties, publicaties en voorts zodanige besluiten van de Soeverein als waarvan de publiekmaking nodig of nuttig wordt geoordeeld”.

Verplaatsing naar andere delen van het Nederlandse Rijk, naar Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands-Indië was wél degelijk mogelijk geweest. Professor dr. N. Beets liet in een interview op 29 september 1979 in het NRC weten dat ondanks intensief overleg Wilhelmina niet over te halen viel uit Engeland te vertrekken. De Nederlandse grondwet is tot en met 1983 14 maal gewijzigd. De huidige grondwet is overigens nog steeds die van 1983. Opmerkelijk is dat het artikel over de zetelverplaatsing (behalve dan de nummering) vanaf het begin nooit gewijzigd is, en dat het onder kabinet Van Agt in 1983 uit de grondwet is geschrapt. Al eerder, in 1954, had men geprobeerd via de Commissie Van Schaik het bepalende deel te schappen. In haar eindrapportage drong de commissie daar tevergeefs op aan.

“Ik zweer aan het Nederlandse volk, dat ik de grondwet steeds zal onderhouden en handhaven”  Wilhelmina, 6 september 1898.

 

Het begint en het eindigt met een leugen!

 +++++++++

Bronnen (o.a.)

http://gerard45.bloggertje.nl/note/14065/de-onwettige-vlucht-van-kroon-en.html

Dagblad van het Noorden, 11 februari 2004, blz.2

Prins Bernhard in oorlogstijd, Uitgeverij Elsevier, 1962, M Brave-Maks

http://gerard45.bloggertje.nl/

http://retro.nrc.nl/W2/Columns/Heldring/980904.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/GS_III

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrik_Anton_Cornelis_Fabius

http://nl.wikipedia.org/wiki/Fran%C3%A7ois_van_%27t_Sant

http://nl.wikipedia.org/wiki/Carel_Albert_van_Woelderen

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrik_van_Mecklenburg-Schwerin

http://nl.wikipedia.org/wiki/Emma_van_Waldeck-Pyrmont

http://nl.wikipedia.org/wiki/J.G.M._van_de_Plassche

http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/sant

http://archief.artikel7.nu/?p=60412

http://www.grebbelinie.nl/page/mobilisatie

http://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_om_de_Grebbeberg

http://elisabethleroi.yolasite.com/

http://www.georg-elser-arbeitskreis.de/texts/best-f.htm

http://www.georg-elser-arbeitskreis.de/texts/graaff.htm

http://en.wikipedia.org/wiki/Richard_Henry_Stevens

http://en.wikipedia.org/wiki/Sigismund_Payne_Best

http://www.heemraadssingel.nl/1914-1918%20spionnen%20aan%20de%20heemraadssingel.htm

http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/RapportenCentraleInlichtingendienst1919-1940/inleiding/2-organisatie

http://en.wikipedia.org/wiki/Johann_Georg_Elser

http://www.mei1940.nl/Verslagen/Waarschuwingen_Sas.htm

http://www.diplomatievandevervolging.nl/nl/graf

http://schrijfspecialist.wordpress.com/2010/11/28/merkwaardige-gebeurtenissen-rond-de-duitse-inval-op-10-mei-1940/

http://nl.wikipedia.org/wiki/Duitse_oorlogsverklaring_aan_Nederland

http://www.unithistories.com/officers/persons_dutch_navyP.html

http://en.wikipedia.org/wiki/Claude_Dansey

http://en.wikipedia.org/wiki/Richard_Henry_Stevens

http://www.forthvh.nl/site/nl/historie/lossepaginas/hetvertrek/7.hetaftredenvanminister-presidentdegeer


  1. #1 door newnederland op 20/01/2013 - 19:49

    Reblogged this on newnederland.

  2. #2 door Helmi op 21/01/2013 - 00:42

    Uitstekend stuk, dank!

  3. #3 door attie op 25/01/2014 - 16:47

    Ik sta perplex!
    Ook al wist ik nogal veel,tot nu toe.
    Dit verklaart nog meer.
    Hoeveel “meer”moet er nog komen om l7 miljoen grijze gehaktballen de doffe oogjes te doen openen?

    Eerherstel voor Marie-Claire Rovers!
    Teruggave goud en de in Amerika geïnvesteerde miljoenen,die nu miljarden waard zijn.

    en de armzalige nakomelingen van dit foute geslacht de wacht aanzeggen.

    Dat lijkt me toch wel het allerminste.Daarna kunnen we orde op zaken stellen.

  4. #4 door Marijke Heijmans op 26/04/2016 - 09:26

    Een groot deel hiervan was me bekend.
    Ook van die incest zwangerschap van Juliana.
    Is Marie Claire Roovers niet in middels overleden?
    Zum kotsen die oranjes.
    En woensdag staan de idioten weer te zwaaien met hun vlaggetjes.

  1. IN DE AANLOOP NAAR 30 APRIL – « HERSTEL DE REPUBLIEK
  2. Vlucht voor Volk en Vaderland | STOP DE OPLICHTING | Scoop.it
  3. BOINNK!!! | De Schande van ‘Oranje’.
  4. ONVREDE IN DE BANANEN-MONARCHIE | Anaconda15's Blog
  5. HET ORANJE WEB VAN LEUGENS (1) « HERSTEL DE REPUBLIEK
  6. BOINNK!!! | De Oranje-Leugens Deel 1 ( Als het vorstenhuis al gecorrumpeerd is, wat staat dit land dan nog te wachten?)
  7. ELM GUEST HOUSE – EEN DOOFPOTCONSTRUCTIE-IN-VOLLE-WERKING « HERSTEL DE REPUBLIEK
  8. Olympic Zion » Elm guest house – een doofpotconstructie-in-volle-werking
  9. 10 MEI 1940 – PROCLAMATIE EN GLASHARDE LEUGENS | HERSTEL DE REPUBLIEK
  10. WILHELMINA: GELUKSTELEGRAM VOOR HITLER (1939) | HERSTEL DE REPUBLIEK
  11. INTERNET-SURVEILLANCE LOOPT GIEREND UIT DE KLAUWEN | HERSTEL DE REPUBLIEK
  12. MANDELA en FAMILIE – MULTIMILJONAIRS | HERSTEL DE REPUBLIEK
  13. OORLOGSSPROOKJES (’40-’45) | HERSTEL DE REPUBLIEK
  14. 10 MEI 1940 – EN SINDSDIEN NIETS BIJGELEERD | HERSTEL DE REPUBLIEK
  15. BONDGENOOT AMERIKA FINANCIERT DE VLUCHTELINGENSTROOM NAAR EUROPA | HERSTEL DE REPUBLIEK

Uw reactie wordt op prijs gesteld

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: