De Amerikaanse ‘bevrijdings-oorlogen’ in Mesopotamië 1988/1991

Door Fré Morel – vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

Amerikaans-Irakese oorlog 1988

Op 16 maart 1988 werd het aan de oostelijke Irakese grens gelegen dorp Halabja getroffen door een gifgasaanval waar volgens de berichtgeving 5.000 Koerden het leven lieten, mannen,  vrouwen, kinderen en ouderen.Door Irak de verantwoordelijkheid van deze misdaad toe te schrijven werd de invasie van Irak gelegitimeerd. Het was voor Amerika en Engeland één van de doorslaggevende argumenten om Irak binnen te vallen en het moorddadige & terroristische regime van dictator Saddam Hoessein te verdrijven.

Al vrij snel werden vraagtekens bij de‘waarheid’ van deze aanval geplaatst. Op 23 maart 1988 publiceerde de Amerikaanse ‘Defense Intelligence Agency’ (DIA) dat “Most of the casualties in Halabjah were reportedly caused by cyangen chloride. This agent has never been used by Iraq, but Iran has shown interest in it. Mustard gas casualties in the town were probably caused by Iraqi weapons because Iran has never been noted using that agent.” Professor Dr. Stephen Pelletiere, specialist op het gebied van ‘National Security Affairs’ bevestigde deze conclusie in zijn op 10 december 1990 gepubliceerd rapport dat door hem in opdracht van het Pentagon werd opgesteld. Hierin kwam hij tot de conclusie dat niet Irak maar Iran de aanval had uitgevoerd en dat het aantal slachtoffers beduidend lager lag dan werd gemeld. “Blood agents were allegedly responsible for the most infamous use of chemicals in the war – the killing of Kurds at Halabjah. Since the Iraqis have no history of using these two agents -and the Iranians do – we conclude that the Iranians perpetrated this attack. It is also worth noting that lethal concentrations of cyanogen are difficult to obtain over an area target, thus the reports of 5,000 Kurds dead in Halabjah are suspect.” In de ‘New York Times’ van 24 januari 2003 werd aandacht gevraagd voor een eigen studie van het Pentagon waarin aangetoond werd dat “de vergassing van de Koerden in Halabja het werk was van Iraniërs, en niet van Irakezen.” Voorafgaand aan de gifgasaanval had de Iranese Revolutionaire Garde (Pasdaran) in samenwerking met de Koerdische guerillas (Peshmergas) een offensief gestart tegen het Irakese leger, en in de nacht van 15 maart 1988 Halabja ingenomen. Volgens Jean Pascal Zanders van het ‘Stockholm International Peace Research Institute’ had Iran daarmee het strategisch geplande doel bereikt, de controle van het nabij liggende Darbandikhan meer en de bijbehorende dam. Een groot deel van de watertoevoer naar Bagdad was hiermee in handen van de aanvallers gekomen. De verwachte Irakese tegenaanval vond de volgende ochtend plaats door middel van een artilleriebeschieting en luchtaanvallen. In de gevechten die daarvan weer het resultaat waren voerde de Iranese luchtmacht aanvallen uit met ‘hydrogen cyanide’ (HCN) munitie op de burgers, in de veronderstelling te maken te hebben met Irakese grondtroepen.

Amerikaans-Irakese oorlog 1991

Al vrij snel ná de eerste Amerikaans-Irakese oorlog zou in 1991 een nieuwe en nog bloediger oorlog uitbreken. Ruim twee maanden nádat de troepen van de Iraakse dictator Saddam Hoessein de grens van het schatrijke oliestaatje Koeweit (dat als een afvallige Iraakse provincie beschouwd werd) waren overgestoken, zat een snotterend meisje achter een microfoon, Nayirah. Alleen haar voornaam werd gegeven, haar achternaam werd uit angst voor represailles tegen de achtergebleven familie niet bekend gemaakt. Het relaas van Nayirah loog er dan ook niet om. Op die 10e oktober 1990 vertelde de dan 15-jarige met betraande ogen haar gruwelverhaal aan de aanwezigen van de ‘House Human Rights Caucus’ in ‘Capital Hill’ in Washington. “I volunteered at the al-Addan hospital,” zei Nayirah, “while I was there, I saw the Iraqi soldiers come into the hospital with guns, and go into the room where babies were in incubators. They took the babies out of the incubators, took the incubators, and left the babies on the cold floor to die.”In totaal zouden de Irakese soldaten 312 baby’s uit de couveuses gegooid en voor dood achtergelaten hebben. Haar verhaal sloeg in als een bom en bracht een veel grotere beroering teweeg dan de ‘Irakese’ gifgasaanval van 16 maart 1988 op het grensdorp Halabja. De couveusemoord was opnieuw een bewijs van de moorddadigheid van de met Hitler geassocieerde Irakese leider Saddam Hoessein. De Koeweitse verzetsbeweging ‘Citizens for a Free Kuwait’ (CFK) zorgde ervoor dat haar op schrift gestelde verklaring in een door hen goed verzorgde persmap beschikbaar was voor de aanwezige media. Niet alleen in Amerika, maar ook wereldwijd werd het verhaal breed uitgemeten in kranten, TV-en radioshows. De toenmalige president George Bush haalde haar verhaal aan als bewijs van barbaarsheid van het Irakese regime en ‘Amnesty International’ publiceerde een lijvig rapport waarin het wereldwijd aandacht vroeg voor de moord op de couveusebaby’s. Zeven senatoren haalden het ‘couveuse-incident’ aan in hun speeches om hun mede senatoren over te halen om te stemmen voor een ‘oorlogsresolutie’. Zes congresleden lieten zich hierdoor overhalen en het Amerikaanse Congres stemde – met een stemverschil van 5 stemmen – tégen vrede en vóór het voeren van oorlog tegen Irak. Het CFK liet niet na ‘de wereld’ te informeren en was indirect betrokken bij de financiering van een 154 pagina’s tellende paperback met de titel ‘The Rape of Kuwait’ waarin de door Irakese soldaten gepleegde oorlogsmisdaden uitvoerig belicht werden. Het boek werd op ruime schaal en ook in persmappen voor de media beschikbaar gesteld. Het verhaal van Nayirah kreeg wereldwijde aandacht en ze hield op 27 november 1990 een, door het reclamebureau ‘Hill & Knowlton’ georganiseerde en geregisseerde, presentatie voor de Veiligheidsraad. Twee dagen later, op 29 november 1990 namen de Verenigde Naties resolutie 678 aan waarin, onder dreiging van militair ingrijpen, Irak bevolen werd zich vóór 15 januari 1991 uit Koeweit terug te trekken. Irak weigerde hieraan te voldoen en op 16 januari 1991 kwam een tot de tanden bewapend geallieerd leger onder opperbevel van Generaal Norman Schwartzkopf in actie, operatie ‘Desertstorm’ was begonnen. Vier maanden ná de gruwelijke uiteenzetting van Nayirah voor de ‘House Human Rights Caucus’ stortte een leger van 700.000 soldaten, 3.500 tanks, 1.700 vliegtuigen en zo’n 150 oorlogsschepen, waaronder enkele vliegdekschepen, dood en verderf uit over Irak. 250.000 Amerikaanse vechtjassen hadden het boek ‘The Rape of Kuwait’ in de uniformjas, kosteloos beschikbaar gesteld door de ambassade van Koeweit. Een mensenmoord op grote schaal brak los met als triest hoogtepunt de Amerikaanse luchtaanval van 26 en 27 februari 1991 op het terugtrekkende Irakese leger, een bloedbad dat later in de geschiedenis bijgeschreven zou worden als de actie van de ‘Snelweg des Doods’. In een urenlange aanval werden duizenden voertuigen in brand geschoten en vernietigd waarbij de inzittenden letterlijk verkoolden. Op 28 februari 1991 stopten de gevechten, Koeweit was bevrijd….

 

Wat (niet alléén) het Amerikaanse volk niet besefte, was dat het zoals altijd in oorlogen, voorgelogen, bedrogen en gemanipuleerd was. Zo was de verklaring van Nayirah ‘zonder achternaam’ één grote leugen, een door het New Yorkse reclamebureau ‘Hill & Knowlton’ (H&K) geregisseerde mediacampagne (de grootse in haar soort ooit),bedoeld om de Amerikaanse burgers te misleiden en over te halen in te stemmen met het voeren van een oorlog tegen Irak. Al op 11 augustus 1991, negen dagen ná de Irakese inval, kwam het toonaangevende New Yorkse mediabedrijf H&K in actie. Het met de regering Bush collaborerende dictatoriale regime in Koeweit had dit propagandabedrijf al vroeg in de arm genomen. Tegelijk met H&K werden soortgelijke propagandaondernemingen ingeschakeld zoals de Rendon-Group uit Washington DC die voor haar diensten maandelijks $ 150.000,– op haar rekening zag bijgeschreven. De Rendon-Group had niet bepaald de minste opdrachtgevers zoals het Pentagon, de CIA, de Kuwait Petroleum Corporation en het biochemische bedrijf Monsanto. Zij kregen de opdracht een propagandacampagne te starten om de Amerikaanse publieke opinie te bewerken en gunstig te stemmen met als doel een miljarden dollars kostende Amerikaanse militaire operatie tégen Irak. Onder dekmantel van meer dan twintig speciaal voor dat doel opgerichte ‘frontgroepen’(zoals de gecreëerde verzetsgroep‘Citizens for a Free Kuwait’) werd de publieke opinie gemanipuleerd zonder dat de grote rol van de koninklijke Koeweitse familie daarbij aan het licht kwam. Via Sam Hanna Zakhem, de voormalige Amerikaanse ambassadeur in Bahrein, werden met toestemming van de regering Bush vele tientallen miljoenen dollars doorgesluisd naar o.a. H&K. In totaal kregen zij bijna 12 miljoen dollar in handen gespeeld van waaruit o.a. ‘Citizens for a Free Kuwait’ gefinancierd werd terwijl ze dat naar buiten toe ontkenden. Hoewel het geld voor het overgrote deel afkomstig was van de Koeweitse koninklijke familie droegen 78 personen voor de vorm financieel bij aan deze  fondsvorming, in totaal het schamele bedrag van $ 17.861,–. In het in juli 2012 verschenen The Phoney Princess (ISBN: 147825937X) doet auteur Monika Pavlik een opzienbarend boekje open over de “hoax-author Jean P. Sasson. In the book are secret documents exposed of the contract between Jean P.Sasson and the Washington based Kuwaiti Ambassador who, as it turned out, financed The Rape Of Kuwait book from the start in 1990.” Een stroom van videofilms, tv-verslagen en andere massamediamanipulatieve berichtgeving toverde H&K uit de creatieve propagandakoker. Het verhaal rondom de ‘haatpaperback’ was op zich al een groot mysterie. ‘The Rape of Kuwait’ zou geschreven zijn door Jean Parks Sasson, een tot op dat moment volledig onbekend schrijftalent zonder enig bekend literair wapenfeit. Volgens Jean zou het boek het resultaat zijn van gesprekken die ze in een periode van zes weken had gevoerd met gevluchte Koeweiti’s en had ze in 9 dagen het manuscript tot stand gebracht. Nog voor de oorlog uitbrak werd het verhaal in een eerste oplage van maarliefst 1,2 miljoen paperbacks op de markt gebracht door de kleine (in 1989 door Gerald S. Sindell opgezette en 1992 weer ter ziele gegane)uitgeverij ‘Knightsbridge Publishing Company’. Tegelijkertijd startte in de landelijke media een ferme reclamecampagne en werd het boekwerk in tv-shows, op Wall-Street en zelfs in het Witte Huis besproken. Mede door deze enorme publiciteitscampagne kon de New York Times het boek in korte tijd als bestseller noteren en bereikte het de 2eplaats op de lijst van de best verkochte boeken in Amerika. Dat de koninklijke Koeweitse familie de distributiekosten van 700.000 exemplaren naar groothandels en detaillisten voor haar rekening nam was natuurlijk mooi meegenomen. Het postbedrijf ‘Federal Expres’ kon de rekening hiervoor (een slordige $ 200.000,–)bij hen indienen.

Over Jean P. Sasson, die als‘auteur’ gebrandmerkt werd van deze haatpocket, valt zo het een en ander aan bijzonderheden te vermelden. Ze werd op 4 juli 1947 geboren als Jean Parks, derde dochter van Neatwood Jones Parks en Mary Harden uit Louisville-Alabama en ging naar de plaatselijke High School. Na college gevolgd te hebben aan de Livingston State University werkte ze o.a. in Jacksonville, Florida en na twee mislukte huwelijken vertrok ze in 1978 naar Riyadh. In dat olierijke staatje heeft ze vier jaar als secretaresse gewerkt in het King Faisal Specialist Hospital & Research Centre. In 1989 trouwde ze met de Italiaanse verzekeringsagent Peter Maurice Michael Sasson en verliet Saudi Arabië in april 1991. Het is pure aanname maar naar alle waarschijnlijkheid is het aan haar man (en/of de contacten rondom hem) te wijten dat háár naam als auteur op het propagandaverhaal geplakt werd. Net zoals bij het in 1915 door het ‘War Propaganda Bureau’ gepubliceerde Brice Rapport moest tenslotte ook nu iemand als auteur op de omslag vermeld worden. Vanuit het niets deed Jean P. Sasson in 1991 haar intrede met deze ‘Hill & Knowlton’ propagandapocket, het was ‘haar’ debuut. Hoewel tijd en ‘waarheid’ e.e.a. ondertussen allang hebben ingehaald blijft Sasson heilig geloven in de gecreëerde waarheid. De als bij toverslag gerezen schrijf-ster rees vanaf dat moment tot grote hoogten. In 1992 verscheen onder haar naam de roman ‘Princess, a true story of life behind the veil in Saudi Arabia’, in 1994 gevolgd door‘Princes Sultana’s daughters’ en in 2000 weer gevolgd door ‘Sultana’s Circle’. Van de drie verhalen die ook in het Nederlands verschenen zijn gingen miljoenen exemplaren over de toonbank. Ook bij deze boeken lijkt alleen haar naam het enige te zijn dat zijzelf geschreven heeft.

 Friederike Monika Pavlik al-Adsani

De Oostenrijkse Friederike Monika Pavlik al-Adsani beweert dat de beide verhalen geheel gebaseerd zijn op haar manuscript ‘Cinderella in Arabia’ dat ze in 1988 aan een New Yorkse literaire agent had toegezonden. Frederike Monika Pavlik leerde haar man in Oxford kennen, een diplomaat uit Londen, verbonden aan de Koeweitse ambassade en afkomstig uit welgestelde Koeweitse kringen. In 1961 kreeg het paar een zoon, Suleiman. Tijdens de inval van Irak in 1990 verdedigde Suleiman Al-Adsani als piloot van de Koeweitse luchtmacht zijn land tegen de invallers en bleef hij ook tijdens de bezetting actief in het verzet. In die periode moet hij sextapes in handen gekregen hebben waarop Sheikh Jaber Al-Sabah Al-Saud Al-Sabah, directe familie van de emir, actief betrokken te zien was. Toen de tapes openbaar raakten werd Suleiman ervan beschuldigd deze in omloop gebracht te hebben wat voor hem desastreus zou uitpakken. Nadat de Irakese troepen uit Koeweit teruggedreven waren werd Suleiman in opdracht van Sheikh Jaber op 2 mei 1991 opgepakt en tot 5 mei gemarteld. Op 7 mei 1991 werd Suleiman opnieuw opgepakt en werd vervolgens geprobeerd hem te verdrinken om hem daarna levend te verbranden (…). Lichamelijk flink gehavend arriveerde Suleiman op 17 mei 1991 in Londen waar hij zes weken in het ziekenhuis lag, een kwart van zijn lichaam bedekt met brandwonden.

Het huwelijk tussen Monika en haar man was ondertussen al enige jaren gestrand en zij had haar levensverhaal op schrift gezet, ‘Cinderella in Arabia’. Dit was het manuscript dat ze in 1988 aan de New Yorkse literaire agent Peter Miller ter beoordeling en publicatie had toegezonden maar dat ze in 1992 door Jean Parks Sasson geplagieerd terugzag. Monika stapte naar de rechter maar een uitgelezen groep advocaten zorgde ervoor dat na jaren van procederen (1994-1999) het door haar geclaimde recht niet toegekend werd. Of haar aanspraken al dan niet terecht zijn, daarover moet ooit ‘recht’ gesproken worden. De verklaring van Gerald S. Sindell zal daar een rol in kunnen spelen. Sindel, de voormalige uitgever die al meerdere boeken voor Miller had gepubliceerd, schreef hierover het een en ander waarbij menig wenkbrauw geheven kan worden “In December 1990 Peter Miller approached Knightsbridge to pitch a non-fiction manuscript by a woman who he said had lived many years in the Gulf region. Although Mr. Miller did not identify his client by name, he described her manuscript as the true story of the woman’s life in either Saudi Arabia or Kuwait. He stated that the manuscript would need a ‘ghost-writer’ to place the book in proper condition to be published. Peter Miller also told me that this book would be much more successful if it were published under Jean Sasson’s name…” Opvallend in deze zaak is de opmerking die Peter Miller maakte tegenover Jeff Herman van ‘Prima Publishing’.Herman vroeg hem ‘the client from hell’ te omschrijven waarop hij antwoordde “One who calls you three times a day, doesn’t have a computer, and stole another author’s manuscript and submitted it as their own”, een omschrijving die naadloos lijkt te passen op de (volgens eigen zeggen) belzieke Jean P. Sasson.

Het boek zou een even grote rol vervullen als het Brice Rapport maar de grootste ‘klapper’ die ‘Hill & Knowlton’ behaalden was wel het optreden van de 15-jarige Nayirah voor de‘House Human Rights Caucus’ met haar van begin tot eind uit de duim gezogen gruwelverhaal over de couveusebaby’s. Nayirah zou later toegeven dat zij zelf nooit in het ziekenhuis geweest was. De reden dat haar achternaam niet bekend gemaakt werd, was niet ‘uit angst voor represailles tegen de achtergebleven familie’ maar om haar ware identiteit te maskeren. Was haar achternaam wél gegeven dan had men van haar volledige identiteit op de hoogte kunnen zijn. Nayirah heette voluit Nayirah bint Saud al-Sabah, de op 29 juli 1975 geboren dochter van Sjeik Saud ibn Nasir al-Sabah, de Koeweitse ambassadeur in Amerika en lid van de Koeweitse regerende koninklijke familie. Sjeik Saud ibn Nasir al-Sabah luisterde diep ontroerd en met krokodillentranen over zijn wangen naar het valse verslag van zijn dochter. Nauwkeuriger naspeuringen zou opgeleverd hebben dat de ambassadeur én zijn familie al vóórde Iraakse inval Koeweit hadden verlaten, dat de 15-jarige Nayirah niet als vrijwilligster in het‘al-Addan’ ziekenhuis werkzaam geweest kon zijn en dat Lauri J. Fitz-Pegado (een voormalig employe van de ‘US Information Agency’) de vicepresidente van ‘Hill & Knowlton’, zich hoogstpersoonlijk met haar valse getuigenis bemoeid heeft. Wat meer kritische journalisten zouden direct grote kanttekeningen hebben geplaatst bij de onterechte gelijkschakeling van de ‘House Human Rights Caucus’ met een officieel Comité van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Een valse voorstelling van zaken. In werkelijkheid was het niet meer of minder dan een politieke vergaderclub, een ‘association of politicians’, voorgezeten door Tomas Peter Lantos, democratisch afgevaardigde van California en John Edward Porter, republikeins afgevaardigde uit Illinois. Lantos, die ook nauwe banden heeft met George Soros, bleek ook indirecte verbindingen te hebben met ‘Hill & Knowlton’ én op de hoogte te zijn van de volledige identiteit van Nayirah‘zonder achternaam’. John Edward Porter, Republikeins afgevaardigde uit Illinois, was tevens lid van een van de belangrijkste politiek economische NGO’s, de CFR, de ‘Council of Foreign Relation’.

 Verzinsels en oorlogen

De Amerikaanse auteur John MacArthur zei over de ‘House Human Rights Caucus’ “The Human Rights Caucus is not a committee of congress, and therefore it is unencumbered by the legal accouterments that would make a witness hesitate before he or she lied. … Lying under oath in front of a congressional committee is a crime; lying from under the cover of anonymity to a caucus is merely public relations.”Dezelfde auteur liet weten dat “Of all the accusations made against the dictator [Saddam Hoessein], none had more impact on American public opinion than the one about Iraqi soldiers removing 312 babies from their incubators and leaving them to die on the cold hospital floors of Kuwait City.”Sommige criticasters merkten op dat ‘de stijl, het karakter en de wijze van presenteren’ verrassend veel overeenkomsten had met de wijze waarop Engeland tijdens de Eerste Wereldoorlog Duitsland te lijf ging met gruwelpropaganda waarin de Duitse ‘hunnen’ beschuldigd werden van het vermoorden en opeten van [Belgische] baby’s. Nét als 90 jaar eerder was het ook nú een propagandaleugen en had men geen splinter bewijs voor deze Irakese misdaad kunnen vinden. Prof. Francis Boyle, voormalig bestuurslid van Amnesty International – sectie Amerika- liet weten vanaf het begin zeer sceptisch te zijn geweest. Hij vond de berichtgeving té sensationeel én vermoedde dat de beschuldigingen geuit werden in een poging om Amerika in een oorlog te betrekken. “It certainly sounded very sensationalist to me.” “…. it is simply going to be used in the United States to monger for war, and could turn the tide in favor of war.” Hij pleitte voor een onafhankelijk onderzoek en op zijn minst voor een kritische nota die het Amnesty ‘couveuserapport’ moest begeleiden, iets wat van hogerhand geweigerd werd. Voor Prof. Francis Boyle was toen duidelijk dat Amnesty International door Engelse en mogelijk Amerikaanse geheime diensten geïnfiltreerd was. “My conclusion was that a high-level official of Amnesty International at that time, whom I will not name, was a British intelligence agent. Moreover, my fellow board member, who also investigated this independently of me, reached the exact same conclusion. So certainly when I am dealing with people who want to work with Amnesty in London, I just tell them, “Look, just understand, they’re penetrated by intelligence agents, U.K., maybe U.S., I don’t know, but you certainly can’t trust them.” Boyle liet in een interview zomer 2002 weten dat de senatoren die voorstander waren geweest van het ondernemen van militaire actie, beïnvloed zeiden te zijn door het uitgebrachte rapport van Amnesty International. “Of the six votes in the United States Senate that passed the resolution to go to war, several of those senators said that they were influenced by the Amnesty report.” Amerika trok ten strijde op basis van een verzinsel waarvan na afloop van de oorlog geen enkele getuige of bewijs gevonden kon worden!

“Since then, reputable human rights organizations and journalists have concluded that the baby incubator story was an outright fabrication. Every study commissioned by the Kuwaiti government could not produce a shred of evidence that the ambassador’s daughter had been back in occupied Kuwait to do volunteer work in a hospital. It was a total fabrication.”

Een zorgvuldig geschreven toneelstuk dat honderdduizenden mensen het leven zou gaan kosten en waarom? Om het beheer en de macht over het ‘zwarte goud’, en om de sinds 1986 in Koeweit heersende al-Sabah familie in het zadel te houden. Een dictatoriaal bewind dat elke oppositie bloedig de mond snoert, journalisten intimideert en censureert en onder erbarmelijke omstandigheden werknemers uit ‘lagelonenlanden’ als moderne slaven al het werk laat doen terwijl “The wealthy young men of Kuwait’s ruling class were known as spoiled party boys in university cities and national capitals from Cairo to Washington.”

Geraadpleegde documenten en bronnen:

Bijlage [1]

Saddam never gassed his own people

     A Stephen C. Pelletiere commentary appeared in the January 31, 2003 New York Times, yet no one seems to have noticed.  Here is part of what he wrote about frequent statements that Saddam Hussein gassed 5000 Kurds at Halabja in 1988:

…as the Central Intelligence Agency’s senior political analyst on Iraq during the Iran-Iraq war, and as a professor at the Army War College from 1988 to 2000, I was privy to much of the classified material that flowed through Washington having to do with the Persian Gulf. In addition, I headed a 1991 Army investigation into how the Iraqis would fight a war against the United States; the classified version of the report went into great detail on the Halabja affair.

This much about the gassing at Halabja we undoubtedly know: it came about in the course of a battle between Iraqis and Iranians. Iraq used chemical weapons to try to kill Iranians who had seized the town, which is in northern Iraq not far from the Iranian border. The Kurdish civilians who died had the misfortune to be caught up in that exchange. But they were not Iraq’s main target.

And the story gets murkier: immediately after the battle the United States Defense Intelligence Agency investigated and produced a classified report, which it circulated within the intelligence community on a need-to-know basis. That study asserted that it was Iranian gas that killed the Kurds, not Iraqi gas.

The agency did find that each side used gas against the other in the battle around Halabja. The condition of the dead Kurds’ bodies, however, indicated they had been killed with a blood agent — that is, a cyanide-based gas — which Iran was known to use. The Iraqis, who are thought to have used mustard gas in the battle, are not known to have possessed blood agents at the time.

These facts have long been in the public domain but, extraordinarily, as often as the Halabja affair is cited, they are rarely mentioned. A much-discussed article in The New Yorker last March did not make reference to the Defense Intelligence Agency report or consider that Iranian gas might have killed the Kurds. On the rare occasions the report is brought up, there is usually speculation, with no proof, that it was skewed out of American political favoritism toward Iraq in its war against Iran.

I am not trying to rehabilitate the character of Saddam Hussein. He has much to answer for in the area of human rights abuses. But accusing him of gassing his own people at Halabja as an act of genocide is not correct, because as far as the information we have goes, all of the cases where gas was used involved battles. These were tragedies of war.

       The Baathist regime did kill thousands of Kurds during fighting to suppress occasional uprisings by what Americans call gangs or terror groups.  Iran, Turkey and Syria have also killed thousands of Kurds, and of course the USA has killed thousands of innocent Iraqis to maintain order, albeit unintentionally. 

A better example of a government leader using chemicals to “gas his own people” occurred in 1993 near Waco, Texas.

Bijlage [2]

Iraq Reconstruction Contract Awarded in 2001

     Someone in the Pentagon noted the US Army posted this contract announcement on the Internet.  No one in the media except Chuck Spinney’s website took note. Here are three parts:

The U.S. had grounds to believe Saddam was planning to destroy Iraq’s own oil infrastructure in the event of hostilities.

The planning effort was done by Brown & Root Services (BRS)* under a task order issued under the Army’s Logistics Civil Augmentation Program (LOGCAP) contract. The Commander, CENTCOM, identified a requirement for contingency planning for repairing and providing for continuity of operations of the Iraqi oil infrastructure. This included planning for extinguishing oil well fires and assessing damage to oil facilities in the immediate aftermath of hostilities.

*The government contracted with BRS to perform the planning effort because BRS is the Army’s contractor for the Logistics Civil Augmentation Program (LOGCAP). The LOGCAP contract is used to develop plans to address such requirements of Combatant Commanders. When a specific plan is needed, a task order is issued under the contract. The current LOGCAP contract was awarded to BRS on December 14, 2001, after a competitive source selection process.

     Note the date, December 14, 2001, almost a year before the Bush administration began to alert Americans that urgent action was required to eliminate Saddam Hussein, which later included all “Baathists” in Iraq, and then the entire Iraqi Army.  Brown & Root Services is part of the  Halliburton Corporation which has won dozens of lucrative Iraqi reconstruction projects awarded without competitive bidding.  Vice President Dick Cheney was CEO of Halliburton for five years before quitting to join President Bush’s campaign in 2000.  He left Halliburton nearly bankrupt after a disastrous oil deal in Brazil and a merger with dying Dresser Industries.  Nevertheless, Cheney received $20 million in severance pay from Halliburton, and continues to receive deferred compensation of around $150,000 a year

  1. IRAN – IRAK – MARKETING – MISLEIDING – BEDROG – OORLOG « HERSTEL DE REPUBLIEK
  2. TROONREDE OF GRAFREDE? « HERSTEL DE REPUBLIEK
  3. TROONREDE OF GRAFREDE? | hetuurvandewaarheid.info

Uw reactie wordt op prijs gesteld

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: