Het Verdrijvingsedict – 1492

Door Fré Morel – vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

Een belangrijk machtsconflict waarin religie als middel gebruikt werd speelde zich af in het Iberische schiereiland waar in 1492 de ‘Alhambra Overeenkomst’ de machtskaart opnieuw en ingrijpend werd ingevuld.

De in Lissabon geboren filosoof, en bankier (Isaac) Yitzchak ben Yehuda Abravanel (Abrabanel) ontvluchtte in 1483 Portugal. Hij werd ervan beschuldigd gemene zaak gemaakt te hebben met opstandige nobelen rond het verdreven huis van Braganza (Bragança) die de nieuw gekroonde Portugese koning João II (Johan II) van de troon wilden stoten. De veronderstelde coupplegers werden ter dood gebracht en Abravanel wist op tijd bij zijn vriend Don Abraham Senior van Castilië onderdak te krijgen. Een belangrijke vriend die hem in een invloedrijke positie parkeerde bij het hof van koningin Isabella van Castilië, eveneens in vriendschap verbonden met het huis Braganza. Don Abraham Senior was nagenoeg de belangrijkste en invloedrijkste persoon aan het hof van Castilië.

Op 19 oktober 1469 trouwde de 18-jarige Ysabel I (Isabella) van Castilië met de 17-jarige Fernando II (Ferdinand) van Aragon. Een gearrangeerd huwelijk dat zoals in die tijd gebruikelijk was en waarvan de planning, regie en financiering in handen was van de Castiliaanse en Aragonese Sefardische elites. Don Abraham Senior van Castilië en Don Selemoh van Aragon waren hiervan de twee achter de schermen regisserende bankiers. Het Sefardisch ‘blauwe-bloed’ dat zowel Isabella als Fernando (als zoon van de knappe Sefardische Joodse schone Paloma uit Toledo) evenals zoveel van de Iberische ‘Grandes’ (adelijken) in de aderen hadden stromen gold daarbij natuurlijk als een pré.

Het huwelijk tussen deze twee tieners zorgde ervoor dat de koninkrijken Castilië en Aragon samengevoegd werden tot een groter rijk dat de basis zou worden van het toekomstige Spanje. Dat Isabella aan Fernando gekoppeld zou worden was overigens geen tevoren uitgemaakte zaak, andere opties werden overwogen. Een huwelijk met de Engelse of de Portugese koning behoorde tot de reële mogelijkheden maar uiteindelijk werd voor de toen meest veelbelovend geachte ‘match’ gekozen.

De beide regisseurs hadden vergaande plannen, een ‘Groot Sefardisch Rijk’ was de machtsdroom die op de achtergrond meespeelde, een rijk dat zou moeten bestaan uit een tot één staat verenigd Spanje waaraan een nog te overwinnen Frankrijk en Italië gekoppeld zou worden. Vanuit deze verkregen machtsbasis zou dan de aanval op het rijk van de Sultan worden ingezet om zo te komen tot een nieuw economisch rijk, een ‘Nieuwe Orde’. Ambitieuze plannen die véél verder reikten, gezien het gehanteerde motto “Vandaag bezitten wij Spanje en daarna de hele wereld”. Don Abraham Senior en Don Selemoh spraken af dat één van de nakomelingen van het nieuwe koningspaar uitgehuwelijkt zou worden aan een nakomeling van het regerende Portugese koningshuis waardoor het hele Iberische schiereiland tot langs genetische weg één grote en machtige natie gemaakt zou worden.

In oktober 1497 zou hun plan werkelijkheid worden: Isabella van Asturië, de dochter van het Spaanse koningspaar trouwde met de Portugese koning Emanuel I (Manuel ‘de Gelukkige’ – op zijn portugees: o Venturoso). Aan het huwelijksverdrag was ook de voorwaarde verbonden Portugal van de ‘ongelovigen’ te zuiveren en zou ook daar de verdrijving van start gaan. In december tekende Manuel het uitwijzingsdecreet en kregen de Sefarden 10 maanden de tijd om hun biezen en boeltje te pakken. Met het huwelijk kwam één groot Sefardisch rijk binnen handbereik. Het plan leed schipbreuk doordat Isabella in 1498 bij de geboorte van haar zoon Michael overleed.

In die dans om de macht liet ook de Katholieke kerk zich niet onbetuigd. Om de invloed van haar kerk te verstevigen en te benadrukken zorgde Paus Alexander VI er persoonlijk voor dat er een heilig sausje over de beide echtlieden gegoten werd. Ysabel en Fernando werden gezalfd als dé Katholieke Koningen.

Na ettelijke decennia van etnisch geweld werd op 31 maart 1492 met de ‘Alhambra overeenkomst’ beslist over de positie van de Iberische Moslims en Sefarden en op 30 april 1492 ging de kogel finaal door de kerk. De Sefarden kregen 90 dagen de tijd om hun bezittingen van de hand te doen en zich op hun uitzetting voor te bereiden. Om het vege lijf te redden moesten ze vóór 31 juli 1492 het land verlaten hebben met achterlating van goud, zilver of gemunt geld. Wie deze overeenkomst negeerde riskeerde niet alleen zijn have of goed maar ook zijn leven. Om aan de uiterste vertrekdatum een extra symbolische dimensie toe te voegen werd deze met 2 dagen verlengd waarmee ze een bijzondere betekenis kreeg. Die datum viel volgens de Joodse jaartelling namelijk op 9 Ab, de eerste grote treurdag waarop de tweede verwoesting van Jeruzalem werd herdacht.

Veel bemiddelde Sefarden zetten hun vermogen in om veiligheid te kopen, anderen bekeerden zich tot de nieuwe staatsreligie en/of vonden een oplossing door zich door middel van huwelijken met de katholieke adellijken te vermengen, op de achtergrond één van de verborgen agendapunten om zich binnen de zittende macht te nest-elen.

“Throughout the fifteenth century, many of the wealthier New Christians had married into families of the old Catholic Nobility”.

Sefarden die zich tot het christendom bekeerden werden ‘Converso’s’ (ook wel anausim of ‘gedwongenen’) genoemd, een stap die voor hen niet per definitie een veiligheidsgarantie zou blijken. Een groot deel liet zich voor de vorm bekeren maar bleven daarnaast hun geloof trouw en werden ‘Marrano’s’ genoemd. De oprechtheid van de bekering van deze ‘valse-christenen’ – (‘Varkens’ of ‘Vervloekten’ in het Spaans) – werd zwaar in twijfel getrokken en werden de Marrano’s slachtoffer van felle en wrede vervolgingen.

Het waren – opmerkelijk genoeg– juist de Converso’s die hen het vuur na aan de schenen legden. Het waren vooral deze gedoopte Joden die tijdens de vervolgingen als ‘beesten tekeer gingen’ om het ‘Jodendom uit te roeien’. De Bisschop van Burgos Don Pablo de Santa Maria was één van deze wraakzuchtige ‘Converso’s’. De Bisschop die kort tevoren nog door het leven ging als Selemoh ha-Levi – de Rabbi van Burgos – liet niets aan het toeval over om de ‘valse-christenen’ te ontmaskeren. Het was hét signaal voor een ware volksverhuizing.

De Moslims vertrokken met name naar Afrika en het Zuid-Oosten, de Sefarden vertrokken eveneens naar alle windrichtingen o.a. naar Noord-Afrika en naar gebieden langs de Middellandse Zee (ook wel ‘Blanke Zee’ genaamd), naar Turkije waar Sultan Bajazet II (Bayazid II) hen warm verwelkomde en waar de meesten van hen zich – net als in Spanje – ‘in naam’ bekeerden tot de Islam maar in werkelijkheid hun geloof trouw bleven. Ze vestigden zich in hoofdzaak rond Saloniki (Thessaloniki in het huidige Griekenland) en kregen mede daardoor de bijnaam ‘Selaniki’ (afkomstig van Thessaloniki). In het Ottomaanse rijk kregen deze ‘Marrano’s’ de bijnaam ‘Dönme’ mee, Crypto-Joden. Eén van de bekendste Dönme was Sjabtaj Tzwi (Sabbatai Sevi) een Joodse Kabbalist die de Dönme liet geloven dat hij de Nieuwe Messias was.

Dönme Mustafa Kemal Atatürk



Het gebied waarin de Dönme zich vestigden zou tót de beide Balkanoorlogen van 1912 en 1913 hét kerngebied van het Osmaanse rijk vormen. Maurice Becker zou in zijn boek ‘Atatürk en Turkije’s weg naar Europa’ hierover het volgende melden:

“Het waren de rijkste en meest ontwikkelde provincies en een disproportioneel groot deel van de Osmaanse regerende elite kwam er vandaan; het grootste verlies was ongetwijfeld Saloniki, de bakermat … van Mustafa Kemal.”

Mustafa Kemal zou in de vooravond, tijdens en ná de Eerste Wereldoorlog een bepalende rol spelen in de vorming van de moderne Turkse staat. Al tijdens zijn leven zou zowel binnen Islamitische als Joodse kringen geopperd worden dat hij van Sefardisch Joodse afkomst was.

Mustafa Kemal was de zoon van Ali Riza en Zubeyde Hanim. De familie was afkomstig uit de regio Salonika waar zich een grote gemeenschap van uit Spanje uitgeweken Sefardische Joden gevestigd had. Deze werden Dönme (‘Doenme’) – pseudo-moslims –genoemd. Naar de buitenwereld toe gedroegen zij zich als moslims die echter in het geheim hun Sefardische afkomst niet loochenden. Na de Turks-Griekse oorlog van 1920-1921 vertrok de meerderheid van de ca. 15.000 tellende Dönme bevolkingsgroep en vestigde zich in het nieuwe Turkije, met name in Istanbul.

Om zijn bevindingen te staven verwees de Amerikaanse auteur Hillel Halkin daarbij in januari 1994 naar een Hebreeuwse autobiografie van de Joodse schrijver Itamar Ben-Avi die daarin twee ontmoetingen beschrijft die hij in het najaar van 1911 met Mustafa Kemal had in het Kamenitz Hotel in Jeruzalem. In het eerste gesprek liet Mustafa Kemal weten dat hij een enthousiast volgeling was van Sjabtaj Tzwi, een in het Venetiaans gestelde Hebreeuwse Bijbel bezat en als jongen Hebreeuwse les gevolgd te hebben. Ter bevestiging hiervan sprak hij het naar eigen zeggen voor hem ‘meest geheime (Dönme) gebed’: ‘Shema Yisra’el, Adonai Elohenu, Adonai Ehad!’

“Sabbetai Zevi and none other is the true Messiah. Hear O Israel, the Lord our God, the Lord is one.”

Mustafa Kemal zou in het eerste gesprek aan Ben-Avi hebben verteld dat hij een enthousiast volgeling was van Sabbetai Zevi (Sabbetai Zevi) was een zichzelf tot messias verklaarde 17e eeuwse valse profeet. Kemal die jaren later als ‘Vader aller Turken’ zijn (…Islamitische…) rol op het wereldtoneel zou spelen is in werkelijkheid een naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van Sefardische afstamming.

De Sefardische uittocht

Dat de ‘Alhambra Overeenkomst’ oftewel het ‘Verdrijvings-edict’ ooit tot stand heeft kunnen komen heeft vanaf het begin voor grote vraagtekens gezorgd en blijft het ondanks de talloze uitvoerige studies die hierover verschenen zijn een groot mysterie.

De belangrijkste adviseurs, raadsheren en financiers van zowel Ysabel en Fernado waren allemaal zélf van Sefardische afkomst, zoals Don Abraham Senior van Castilië, Don Selemoh van Aragon, Hernando de Pulgar, Fray Hernando de Talavera, Isaac Abravanel, Luis de Santángel, Marquesa de Moya, Juan Cabrero.

De meest belangrijke bestuurlijke posities zowel binnen het universitaire, militaire als justitiële apparaat en zelfs binnen de katholieke kerk werden eveneens bekleed door Castiliaanse en Aragonese Sefarden zoals uit de families de Sánchez en de La Caballería’s en de hoogste ambtenaar die – naast Ysabel en Fernando – het Verdrijvingsedict in 1492 ondertekende was eveneens van Sefardische afkomst: Juan de Coloma.

Al ver voor de invoering van het Verdrijvingsedict in 1492 waren het ‘altijd weer de renegaten’ die een belangrijke rol in de onderdrukking van de Sefarden speelden aldus Simon Wiesenthal in zijn boek ‘Zeilen der Hoop’. Inquisiteurs zoals de Bisschop van Burgos en latere staatskanselier van Castilië Pablo de Santa Maria die kort daarvoor door het leven ging als rabbijn Schlomo Halevi. Hij zou in de periode voorafgaand aan de Diaspora dé voorman worden van het kerkelijk antisemitisme! Of personen als de Fransiskaner monnik Alonso de Espina, een ‘Converso’, een bekeerling die sterk aandrong op de instelling van de Inquisitie of Fernando Álvarez de Toledode in de Nederlanden later zo bekende ‘Hertog van Alva’. Ook Alva was naast een warm pleitbezorger van de Inquisitie eveneens van Sefardische oorsprong…. ‘altijd weer die renegaten..’

De Iberische Diaspora die met het Verdrijvingsedict van 1492 een feit werd bracht eveneens een scala aan renegaten voort, zoals Thomas de Torquemada, (Turrecremata) een Converso die tot Grootinquisiteur benoemd werd. Van hem stamt de uitspraak ‘één volk, één rijk, één geloof’. Ook de Bisschop van Salamanca en latere Aartsbisschop van Sevilla Diego de Deza was een bekeerde Sefard en zou na de dood van Torquemada in zijn positie als Grootinquisiteur benoemd worden. Diego de Deza zou één van de beschermheren worden van Christoffel Columbus en hem in contact zou brengen met twee invloedrijke spelers aan het hof van Ysabel en Fernando: Don Abraham Senior en Don Isaäc Abravanel (Abrabanel). Deze mannen zouden later een belangrijke rol vervullen in de realisatie van de Columbusexpeditie.

Het waren vooral de onbemiddelde Sefarden en Islamieten die te lijden kregen van de Iberische exodus. Zoals altijd waren het ook toen armeren die te lijden hadden, de zwakste schouders dragen altijd de zwaarste lasten. Gefortuneerde Sefarden die hoge posities bekleedden ondervonden nauwelijks enige hinder en konden zich – zelfs zonder zich gedwongen te bekeren tot de ‘nieuwe heersende religie’ – de ‘Nuevo Ordum’– in hun positie onbelemmerd handhaven. Bemiddelde Sefarden die er voor kozen hun geluk elders te zoeken werden om hun talent als internationaal opererende handelaar/bankier verwelkomd in de gebieden waar zij neerstreken en droegen bij aan de economische ontwikkeling van dat gebied. Misschien het enige positieve bijkomende element van de exodus.

Cream rises to the top

Een groot aantal Sefarden vertrok naar (Oost-) Europa, naar de later door toedoen van Columbus ontsloten Nieuwe Wereld en ook naar het landje aan de Noordzee. Verschillende Sefarden gingen over tot piraterij en maakten de wereldzeeën onveilig voor de (speciaal Spaanse) handelsschepen. Samuel Palache (Pallache), (wapen-)handelaar, koopman, spion en piraat, door de joodse auteur Edward Kritzler een “pirate rabbi” genoemd, rustte een piratenvloot uit die onder Marokkaanse vlag in het begin van 1600 de Middellandse Zee onveilig gemaakt zou hebben. Zijn eigen schip was aan de boeg voorzien van de afbeelding van een Phoenix de ‘vuurvogel’ die uit zijn as herboren wordt. Bijzonder detail daarbij was dat Samuel Palache rabbi geweest moet zijn van de eerste Portugees Sefardische synagoge in Holland – Neve Salom (Neweh Sjalom). Palache en stadhouder Prins Maurits stonden met elkaar op goede voet. Een andere Sefardische piraat was Moses Cohen Henriques die een belangrijke rol speelde in de verovering van de (Spaanse) Braziliaanse havenstad Recife door de Hollanders. In Recife speelden Sefardische kooplieden een belangrijke rol in de slavenhandel.

Het koude kikkerlandje Holland was bij de Sefarden favoriet om de reeds florerende Hanze-economie, de goede handelsmogelijkheden, de economisch-strategische positie van het land en het bestaande en invloedrijke geldcircuit. Het zou niet lang duren voordat ze in hun nieuwe woongebieden dezelfde invloedrijke posities bekleedden als in Spanje waar zij prominente posities hadden ingenomen in de zilver-, kruiden-, wijn-, bont-, hout- en slavenhandel of zoals een Sefardisch gezegde luidt: “Cream rises to the top, regardless of its location”.

Ondanks de wrange achtergrond van deze massale volksverhuizing meende José Manuel Durão Barosso– de voorzitter van de Europese Commissie en zelf van Sefardische oorsprong – ruim 500 jaar later in de uitwaaiering van de Sefardische kooplieden toch iets positiefs te zien. In een verklaring tijdens de naamgeving van de ‘Europa’ synagoge in Brussel in juni 2008 verklaarde – voorzitter van de Europese Commissie – de diaspora als het groeibegin van een verenigd Europa te zien “De joodse diaspora was als het ware een voorloper van een verenigd Europa”

1492 – Columbus & Amerika

Wereldreiziger Cristoffel Columbus, zélf een ‘Converso’ uit de Sefardische elitekring met de oorspronkelijke naam Salvador Fernandes Zarco zou bekend worden als Cristofõm Colon. In de exodus van 1391 waren zijn voorouders – die toén nog de naam Colombo droegen – naar Genua vertrokken, zij pasten zich aan in naam door deze te veranderen in Colon en de nazaten keerden terug naar het Iberische schiereiland. Volgens een in november 2009 gepubliceerd onderzoek van de Amerikaanse professor Estelle Irizarry was Columbus een ´Converso´, afkomstig uit Catalonië.

Al eerder waren er pogingen ondernomen om een expeditie door hem te laten uitvaren, maar dan in Portugal. In 1486 moeten 5 schipbreukelingen zijn opgevangen in het huis van Zarco op het eiland Madeira. De gestrande zeelieden waaronder de kapitein Alonso Sanchez de Huelva moeten de ´Nieuwe Wereld´ in de door hen ondernomen reis ontdekt en de zeeroute vastgelegd hebben. Alle vijf overleefden hun verpleging niet en stierven in het huis van Zarco die zich ontfermde over de kaarten en reisverslagen waarin de ontdekking van de ´Nieuwe Wereld´ was vastgelegd. Hij benaderde de Portugese koning om een expeditie te financieren.

Het waren o.a. Magister Rodrigo en Magister Joseph– twee Sefardische lijfartsen en astronomen van de Portugese koning die tevergeefs aandrongen op de uitzending van een expeditie. Onverrichter zaken vertrok Columbus daarop naar Spanje en werden er nieuwe pogingen ondernomen (o.a. in 1487) om een expeditie van de grond te krijgen die na jaren uiteindelijk met succes werd bekroond. Op 3 augustus 1492 vertrok de Columbusexpeditie nadat aan drie voorwaarden voldaan waren wat van groot belang was voor de feitelijke initiatiefnemers en geldschieters achter de schermen.

‘Ten percent of the profits’ werd door hen als een aangemeten beloning beschouwt. Tien procent van de roofbuit was wat Ysabel hen wel gunde maar verder hield ze de hand op haar knip en het sprookje dat zij haar juwelen verpatst zou hebben om de Columbusexpeditie te financieren moet écht naar het Rijk der Fabelen worden verwezen Het waren de Castiliaanse en Aragonese Sefardische elites die aan de bron van deze expeditie hebben gestaan, haar hebben gepromoot, ondersteund en gefinancierd.

De verwachte rijkdom die uit mogelijk nieuw ‘ontdekte’ werelddelen geplunderd kon worden was één van de grote drijfveren achter de expeditie die vrijwel gelijktijdig met de invoering van het ‘Verdrijvingsedict’ van stapel zou lopen. Zo kon Columbus bij zijn oversteek gebruik maken van de kaarten die door Maestre Jaime (Jahuda) Cresques (Abraham Cresque) beschikbaar gesteld waren. Jehuda Cresques was een van het eiland Mallorca afkomstige Sefard en hoofd van de Portugese School voor Navigatie in Lissabon. Daarnaast kon de expeditie ook gebruik maken van de almanakken en astronomische tabellen die door Abraham ben Zacuto, professor aan de Universiteit van Salamanca, ter beschikking waren gesteld. Ben Zacuto zou ook de persoon zijn die Columbus zou introduceren bij invloedrijke Sefardische bankiers zoals Don Isaac Abravanel die op zijn beurt andere over-rijke geldschieters wist te overtuigen om het ‘Nieuwe Wereld’ project te financieren.

Van een ontdekkingstocht was geen sprake, Columbus WIST waar de reis naartoe ging!

Luis de Santangel (Sancto Angelo) was van al deze belangrijke financiers wel de belangrijkste te noemen. De Santangels waren een uit Aragon afkomstig puissant rijk en invloedrijk Sefardisch geslacht dié qua economische macht vergeleken konden worden met de Rothschilds van vele generaties later. Qua politieke macht en invloed kon Luis de Santangel vergeleken worden met Benjamin Disraëli. Simon Wiesenthal schreef daarover in zijn boek ‘Zeilen der Hoop’: “Luis de Santangel was de Disraëli van Spanje. De voorouders van de latere graaf van Beaconsfield waren eveneens Spaanse Joden die door de inquisitie waren verdreven”. Naast Alfonso de la Caballeria en Diego de Deza was Luis de Santangel grootste geldschieter. Hij verstrekte een renteloos voorschot van 17.000 dukaten waarna Ysabel en Fernando hun koninklijke fiat gaven aan de expeditie. Op de schriftelijke goedkeuring prijkte opnieuw naam van de Sefardische hoge ambtenaar die zijn goedkeuring verleende aan het Verdrijvingsedict: Juan de Colona.

Naast de Santangel zagen ook andere invloedrijke Sefardische bankiers en politici wel brood in het project en trokken hun welgevulde knip, zoals de bekeerde schatmeester van koning Ferdinand II (Fernando) Gabriel de Sánchez. Ook Abraham Senior van Castilië, Juan Cabrero, Alonso de la Caballeria en de vriendin van Ysabel – markiezin de Moya– droegen een ferme duit bij in de veelbelovende investering. Wat betreft de bemanning die de overtocht zou wagen… 33% ervan zou van Sefardische afkomst zijn zoals scheepsarts Maestre Bernal, Chirurgijn Marco, Gabriel de Sanchez, de matrozen Alonso de le Callo en Roderigo de Triana en vertaler Luis de Torres. De laatste zou zich overigens kort voor vertrek laten dopen.

Op de avond van 2 augustus 1492 was de complete bemanning aan boord vóór 11 uur aan boord, ruim een uur vóór het moment waarop het uitwijzingsbevel van kracht zou worden. Op 3 augustus, even vóór zonsopgang, zeilde de expeditie de haven uit van het Spaanse Palos… de ‘Nieuwe Wereld’ tegemoet. De Santa Maria, de Pinta en de Ninã. Het was Rodrigo de Triana (eigenlijk Juan Rodríguez Bermejo) die om 02.00 uur in de nacht van 11 op 12 oktober 1492 vanuit het kraaiennest van de ‘Pinta’ als eerste land in’t oog kreeg.

Toen de Spaanse indringers hun voeten op overzeese bodem zetten werden ze (tot hun verbazing???) door de inboorlingen met veel enthousiasme binnengehaald. De inboorlingen verkeerden in de waan dat ze te maken met de ‘Hemelse Boodschappers’, de ‘Witte Goden’ die zoals hun geloof hen voorspelde ooit terug zou keren. Kon Tiki, Illac, Viracocha werd deze god door de Inca’s genoemd (veer-god, zee van vet, melkzee), de Maya’s noemden hem Kukulkan, de Chibchas Bochia (de ‘witte mantel van licht’), in Peru droeg hij de naam Hyustus en de Tolteken en Azteken kenden hem onder de naam Quetzalcoatl.

Een blanke, blauwogige, blondharige, baardige man die de volkeren wetten, spraak, schrift, liederen, voedsel, vaste gewoonten ál zijn weten had gebracht en door hen als de ‘Witte God’ werd vereerd. Meer dan 2.000 jaar vóór dat Inca-imperium zijn macht vestigde, bouwden de godenzonen een grote stad rond het Titicaca-meer. De ‘Witte God’ zou zijn volk in noordelijke richting verlaten en wandelde hij over het water van de Stille Oceaan richting Ecuador met de belofte ooit bij zijn volk terug te keren.

Massief gehinderd door het geloof in de eeuwenlange overleveringen verkeerde dat volk in een staat van ‘vervalst bewustzijn’ de werkelijkheid was voor hen vrijwel onmogelijk helder te krijgen. Cognitief Dissonant onderwierp de oorspronkelijke Zuid-Amerikaanse bevolking zich willoos aan de teruggekeerde ‘Goden’. Alles wat de expeditieleden van Columbus ook waren…. ‘Goden’ waren het in elk geval niet! Het zou het begin zijn van een ongekend wrede bezetting en bestiale roofmoord, een eeuwen durende plundertocht waaraan complete beschavingen en volken tenonder gingen.

“… Mijn verkenners vertellen, dat ze na een mars van 12 mijl bij een dorp kwamen dat ongeveer 1000 inwoners telde. Ze werden door de inboorlingen met grote vreugde ontvangen en naar hun mooiste huizen gebracht. De bewoners omarmden hen, kusten hun handen en voeten en probeerden hen op allerlei manieren aan het verstand te brengen dat ze wisten, dat de blanke mensen van de zetel der goden gekomen waren. Ongeveer honderd vrouwen en mannen smeekten hen mee te nemen naar de hemel van de onsterfelijke goden…”

“Ze vertellen dat de zonnegod, de stamvader van de Inca’s in oeroude tijden één van zijn zoons en één van zijn dochters naar hen toe zond om kennis bij te brengen. Deze afgezanten werden wegens hun taal en hun lichte huid door de mensen als goddelijk erkend. De heersende klasse van de Peruaanse Inca’s heeft een lichte huid. De voorname vrouwen zijn een lust voor het oog, zij weten dat ze mooi zijn en ze zijn het ook werkelijk. Het haar van de mannen en de vrouwen is zo blond als de kleur van rijpe aren en sommige hebben een lichtere huidskleur dan de Spanjaarden. Ik heb in dit land een vrouw met een lichte huid gezien, die een bijzonder blank kind had. Volgens de mening van de inboorlingen stammen zij af van de goden.”

Zeilen des doods in plaats van zeilen der hoop

De ‘ontdekking van Amerika’ was in werkelijkheid een welbewust opgezette plunderexpeditie – waarvoor het startschot gegeven werd door het Verdrijvingsedict van 1492 – naar een continent waarvan de ligging en de onvoorstelbare rijkdom tevoren bekend was. In het kielzog van deze Sefardische invasie – wat in feite de tocht van Columbus was– deden de beulsknechten hun werk. Schurken, straatvechters en criminelen – gewapend met geweren, kanonnen, te paard en te voet – met maar één doel voor ogen. Het zoveel mogelijk leegplunderen van het land en het beroven van zijn bewoners en rechtmatige eigenaren. De voorgewende ‘bekering’ tot het katholieke geloof was enkel een misleidende vlag die de ongelooflijk moorddadige waanzin dekte. De goedgelovige en naïeve katholieke missionarissen die als wereldverbeteraars de Nieuwe Wereld in trokken werden zowel door de autochtone bevolking als de moordlustige ‘Spaanse benden’ vijandig tegemoet getreden.

Het waren de nietsontziende hebzuchtige bankiers/handelaren die ‘handel’ zagen in de veroveringen en graag enorme bedragen uitleenden om deze in duizendvoud terug te ontvangen. De Habsburgers financierende Bankiers zoals de Bartholomeus Welser uit Augsburg, die naast adviseur van Karel V tevens een succesvol handelaar was. Ooit moet hij Karel V twaalf ton goud hebben geleend. De Sefardische Zuidamerikaanse rooftocht kreeg geduchte concurrentie van een Askenazische plunderexpeditie.

Naast het Bankiershuis Welser waren ook andere als – Lutheraans aangeduide – Askenazische Bankiershuizen uit Augsburg zoals Fugger en Höchstetter betrokken bij de financiering van het imperium dat Karel V om zich heen trachtte te verzamelen.. In competitie met hun Sefardische evenknieën trachtten zij eveneens een zo groot mogelijk deel van het onvoorstelbare Zuid-Amerikaanse fortuin te plunderen.

Als tegenprestatie voor de financiering van de uitplundering van West-Indië (het huidige Zuid- en Midden Amerika) en de enorme bedragen die hij verbruikte voor het kopen van de keizerskroon van het Heilige Roomse Rijk verleende Karel V aan de Bartholomeus Wesler in maart 1528 ‘Plechtig en voor eeuwig de provinvie Venezuela, ter uitbuiting naar eigen willekeur’. Een vroege versie van ‘Land-lease’.

Klein probleempje daarbij was dat de ‘koek’ al aan meerdere kapers was verdeeld, zoals aan de Spanjaard Juan Martinez de Ampues. In februari 1529 landde een door hebberige Bankiers onder aanvoering van Welser uitgeruste en als ontdekkingsreis voorgewende Duitse invasievloot bestaande uit 3 schepen onder aanvoering van Ambrosius Ehinger (Ambrosio Alfinger in het Spaans) de bemanning bestond voor het overgrote deel uit ingehuurde Spaanse en Vlaamse huurlingen, avonturiers en criminelen. Deze bankiersinvasie onderscheidde zich in gruwelijkheid en sadisme nauwelijks van alle voorgaande, al moet het zijn geweest dat zij nog heftiger en beestachtiger tekeer gegaan zijn om de roofachterstand zo veel mogelijk proberen goed te maken.

Opvolgende expeditieaanvoerders: Georg von Hohermuth (Jorge Espira) met secondant Nikolaus Federmann. Later door Bartholomeus Welser zelf en Ritter Phillip von Hütten. Beiden werden in 1545 vermoord.

“Mijn boden berichten dat ze na een mars van 12 mijl een dorp hebben gevonden dat waarschijnlijk tegen de duizend inwoners telt. De inboorlingen hebben hen zeer plechtig ontvangen, men heeft hen in de mooiste huizen ondergebracht, hen op de armen gedragen, hun handen en voeten gekust, kortom getracht hun op alle mogelijke manieren duidelijk te maken dat men wist dat de blanke mannen van de goden gekomen waren. Een vijftigtal mannen en vrouwen heeft hun gevraagd met hen de hemel der eeuwige goden terug te mogen reizen.”

Columbus, 6 november 1492

In 1493 was het Paus Alexander VI die de roofexpeditie met de bul Inter Caetera zijn goedkeurende zegen gaf. Hij gaf de expeditie toestemming (..?..) alle ontdekte en nog te ontdekken landen in de Nieuwe Wereld voor de Spaanse koningen ‘in donatie’ te nemen, mits de aangetroffen volkeren zouden worden bekeerd tot het ware geloof. Op 14 mei 1493 zou de paus in al zijn goddelijke wijsheid de wereld verdelen haarscherp verdelen in een Portugees en een Spaans wingebied. Onderling sleutelden de Portugezen en Spanjaarden nog een beetje aan de pauselijk vastgestelde grenzen en op 7 juni 1493 werd in het Verdrag van Tordesillas beslist wie welk werelddeel mocht bezitten en plunderen.

Concurrentie voor Columbus

Dat de Columbus-expeditie daadwerkelijk als eerste vreemde voet op Amerikaanse wal zette moet stevig betwijfeld worden. Een gemêleerde groep vermeende voorgangers betwist de ‘finale ontdekking’ zoals de Chinese admiraal Cheng Ho (Zheng He) die in 1421 al Amerikaans land in zicht kreeg. Ook van Henry I St. Clair, een Schotse Tempelier, wordt beweerd dat hij voor het jaar 1399 al twee keer de ‘Nieuwe Wereld’ had bezocht en zelfs gewassen als souvenirs had meegenomen. Soevenirs die later voor eeuwigdurende verwonderende verwarring zouden zorgen nadat ze werden afgebeeld in het kerkje van het Schotse Roslyn.

De negen a tien schepen tellende expeditie van prins Madoc uit Wales moet in 1170 al geland zijn in de ‘Mobile baai’ en moeten de nakomelingen daarvan tot de stamvaders gerekend worden van de ‘Madans’, een blauwogige- blonde indianenstam die in het stroomgebied van de Mississippi en de Missouri heeft geleefd. Cheng Ho, Henry I St. Clair en prins Madoc waren bij lange na niet de enigen. Een vikingexpeditie onder aanvoering van de roodharige Leif Eriksson zou al in 984 geland zijn, voorafgegaan door de Polynesiërs, de Feniciërs… afijn.. Columbus als ontdekker van Amerika is op zijn minst ongeloofwaardig te noemen.

Columbus heeft wel de twijfelachtige ‘eer’ de eerste Slavenhandelaar te zijn van de ‘Nieuwe Wereld’. Als presentje bracht zijn expeditie 600 Amerikaanse inboorlingen mee, 200 daarvan werden cadeau gedaan aan de reders die de schepen geleverd hadden, de overige 400 werden op de slavenmarkt versjachert!

Massamoord – genocide neemt een aanvang met de komst van Columbus!

Het natuurrubber van de Heveaboom was één van de vele schatten die het waard gevonden werd om te roven. Columbus nam bij terugkeer een imponerende bal van deze grondstof mee waar de inwoners van Sevilla bewonderend naar keken ‘een grote bal, tweemaal zo groot als de toen in Sevilla bekende soort, die maar niet wilde ophouden te tikken en te stuiteren’.

De geestelijke die zich het lot van de autochtone bevolking aantrok (Dominicaner monnik Bartolomé de Las Casas) had berekend dat in een periode van amper 40 jaar ca. 15.000.000 oorspronkelijke bewoners op de meest gruwelijke en mensonterende manieren waren doodgefolterd en afgemaakt.

Fray Toribio de Benavente, (ook wel bekend als Motolinía, een Fransiscaan. had “angst dat anderen afschuw zouden voelen van dit Nieuw-Spanje (het huidige Mexico) als het meest wrede, verfoeilijke, trouweloze en afschuwelijke volk dat op het aardoppervlak te vinden is”.

Toen Columbus in 1492 zijn voeten op Hispaniola zette (het huidige Haïti en de Dominicaanse Republiek) telde het eiland ruim 1,1 miljoen bewoners. Amper 25 jaar later, in 1516 hadden slechts 12.000 van de oorspronkelijke bewoners (tot dan toe!) de slachting weten ontlopen!! Met Columbus – en de onder ‘Sefardische regie’ – begonnen koloniserende invasie werd een onbeschrijfelijke en ongekend gewelddadige genocide geïntroduceerd.

Onder controle en supervisie van de almachtige Sefardische elite verrichtten hun collaborerende schurken en handlangers het beulswerk, daarin ondersteunt door onderontwikkeld voetvolk dat – gewapenderhand – vrede, veiligheid en democratie moest brengen in de Nieuwe Wereld en de Oude Orde vervangen voor een Nieuwe Orde. Te vuur en te zwaard werd ‘in Naam’ het ‘Geloof’ als argument ingezet om de arme heidenen te redden van het vagevuur met als resultaat een mensenvernietiging op ongekende schaal. De autochtonen die het waagden zich te verweren tegen deze dodende nepgoden werden bestempeld als terroristen en nog heviger vervolgd.

Waar het in feite werkelijk om draaide was de uitplundering van een totaal continent ten koste van miljoenen levens en waarbij de opbrengst aan goud, zilver en juwelen ten goede kwam aan de kleine – financierende – (overwegend) Sefardische elite. Indianen die NIET meer aan hun verplichte drie-maandelijkse plunderbelasting konden voldoen werden de handen afgehakt!!! Ver-slaafden kozen voor collectieve zelfmoord, pleegden abortus en vermoordden hun kinderen om aan het ellendige lot te ontkomen dat de Sefardische expeditie hen zou brengen. Verkrachting en pedofilie, negen tot tienjarige meisjes waren zéér gewild….

Het waren ook deze elites die de absolute controle in handen hadden van de mensenhandel. Zich toen en later verschuilend achter de nationaliteit van de landen waarnaartoe zij zich verplaatst hadden aldus de donkergekleurde Amerikaanse Hoogleraar Afro-Amerikaanse geschiedenis en deskundige Caraïbische geschiedenis professor Tony Martin in 2008. Naar zijn wetenschap waren het de zich Portugees, Spanjaard, Braziliaan, Engels, Nederlands etc. noemde Sefardische elites die voor een periode van vele honderden jaren niet alleen de Afrikaanse maar wereldwijd de slavernij en de slavenhandel domineerden.

“The principal slavetraders in the world for several hundred years – not only in the African slavetrade but they have been involved in a variety of other slavetrades too for a very long period of time, actually dominated slavery and the slavetrade”.

Het waren vooral de reders, de financiers, de ‘armadores’ die zich verrijkten aan de handel in mensen. Zij die ‘een vloot van twee of drie schepen uitrusten en zorgen voor de betaling van de schandelijke rovers die de onschuldige mensen daarginds in hun huizen overvallen en ontvoeren’ zoals de Spaanse geestelijke Fray Bartolomé de Las Casas in 1542 in een ooggetuigenverslag opschreef.

In de periode van 1492 tot 1650 is een ongekende genocide teweeggebracht. De nieuwe meesters van de ‘Nieuwe Wereld’ hadden in hun ongeëvenaarde en ongeremde hebzucht in een periode van ruim 150 jaar ruim 91% van de oorspronkelijke bewoners laten afslachten.

De landing van Columbus is het startsein geweest voor een genocide die in totaal aan ca. 40.000.000 oorspronkelijke bewoners het leven gekost heeft. Zachtaardige, vredelievende mensen die de veroveraars vol ontzag en eerbied behandelden, ‘zij beschouwden de Spanjaarden steeds als onsterfelijken, komende uit de hemel, en behandelden hen als zodanig’

Slavernij was al duizenden jaren gebruik onder zwarte volkeren onderling, bij Arabieren, in Azië en Amerikaanse indianen en speelden Sefarden een invloedrijke en bepalende rol in het ‘blanke slavernijverleden’ en waren het juist en vooral de blanken die zich hebben ingezet voor de afschaffing van de slavernij! aldus Bartolomé de Las Casas.

Sefardië versus Askhenazië

De veroveraars van de Nieuwe Wereld wilden daar ook daadwerkelijk een ‘Nuevo Ordem’ gaan vestigen en hadden daar uitgesproken ideeën over. Zij werden daarin geïnspireerd door het werk van Thomas More die een ideale Wereldbeschouwingen verwerkte in het verhaal ‘Utopia’

Het door hen n de Amerika’s voorgestane ideaal was een overwegend agrarische maatschappij met als basis een ‘eenheid’ van veertig mannen en vrouwen (‘Familia Rustica’) met aan het hoofd een ‘rijp en ernstig’ duo. Een ander Utopische gedachte was het vormen van leefeenheden van arme en onwetende allochtonen rondom een Spaanse landarbeider, een ‘familia’, een vroege communevorm van socialistisch- communistische snit.

Waren de Spanjaarden nu van nature bloeddorstig, wreed en zonder medeleven? Waren de Fransen niet gelijk aan de Spanjaarden in hun revolutie, de Amerikanen in de pacificering van ‘hun’ land? Waren het misschien de Belgen die als beesten beschouwd moeten worden om hun massamoordregime in Congo? Of misschien de Turken door hun gruwelijke maatregelen tegen de Armeniërs… ??

Nee: het repeterend element is de toplaag, de elite’s die aan het roer van de macht zitten en elkaar tot op de dag van vandaag beconcurreren. Zij bestrijden elkaar – ten koste van alles en iedereen – op leven en dood. In de Nieuwe Wereld was de eerst ter dood veroordeelde emigrant een Askhenaaz die geld gestolen had van een Sefard. Sefarden die zich door hun Zuidelijke gelaatstrekken meer edel beschouwden dan de Askehanzen die met hun mongoloïde trekken als barbaars beschouwd werden. Een raciale haat die ook andersom gevoeld werd. Het is een niet te geloven strijd van Sefarden tegen Askenazen die elk van elkaar geloven dat zij hét uitverkoren volk zijn om de wereld naar hun geloofsmodel te controleren, beheren en besturen. Om met de woorden van prof. dr. T. Martin te spreken: “Het waen niet de Venetiaanse, Portugese, Spaanse, Antwerpse, Amsterdamse kooplieden etc. , het waren in de eerste plaats Sefarden die zich daar gevestigd hadden.”  HUN concurrentiestrijd tégen elkaar (Portugees tegen Spaans – Spaans tegen Nederlands, Nederlands tegen Engels, etc) en tegen de Askhenazen is een rode draad die door alle wereldconflicten en bloedvergieten loopt.

Tot aan de Franse Revolutie was 90% van de macht in handen van de Sefarden, met het verdrag(en) van Wenen sloeg de balans om naar de andere kant en waren het de Askhenazen die met de Rothschilds de macht in handen kregen.

Het op religieuze gronden door de Sefarden geclaimde grondgebied werd door de Askhenazen gerealiseerd met de vestiging van een staat in het Midden Oosten.

.

Naschrift:

Ferdinand V. the Catholic:

King of Spain; born 1452; died 1516; son of Juan II. of Aragon by his second wife, Juana Enriquez, daughter of Fredrique Enriquez, admiral of Castile, and granddaughter of the beautiful Jewess Paloma of Toledo. While still heir to the throne Ferdinand had friendly dealings with many Maranos. His marriage with the much-admired Isabella of Castile was materially furthered by Jews and Maranos on the supposition that he, himself of Jewish descent on his mother’s side, would prove, like his father, benevolent toward the Jews.

Bron: http://www.jewishencyclopedia.com

Interessante links en bronvermelding:

http://www.ibiblio.org/expo/1492.exhibit/c-Columbus/columbus.html

  1. TEGENLICHTERS – HET VERDRIJVINGSEDICT VAN 1492 « HERSTEL DE REPUBLIEK

Uw reactie wordt op prijs gesteld

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: